Toen wij tot uw moeder openbaarden wat geopenbaard werd" (20:38).
En toen de engelen zeiden: O Maria! waarlijk, God heeft u gekozen en u gelouterd en u boven de vrouwen van de wereld gekozen!" (3:41).
Op andere plaatsen spreekt de Heilige Koran over de grote profeten
van God:
En vermeld Abraham in het Boek" (19:41), "En vermeld Mozes
in het boek" (19:51), enzovoorts. De Koran spreekt over een vrouw
op dezelfde manier: "En vermeld Maria in het Boek" (19:16).
Geen enkel religieus boek geeft zo'n hoge geestelijke positie aan
de vrouw.
De Koran maakt geen onderscheid tussen een man en een vrouw in het
schenken van beloningen voor het goede dat hij of zij verricht:
Ik zal het werk van een werker onder u, hetzij een mannelijk of een
vrouwelijk persoon, niet verloren laten gaan, de JJn uwer zijnde uit
de ander" (3:194).
En wie goede werken doet, hetzij een mannelijk of een vrouwelijk persoon, en een gelovige is - deze zullen de tuin binnentreden, en zij zullen geenszins onrechtvaardig worden behandeld." (4:124).
Wie goed doet, hetzij een mannelijk of een vrouwelijk persoon, en
een gelovige is, hem zullen Wij zekerlijk een gelukkig leven doen
leven, en Wij zullen hun zekerlijk hun beloning geven voor het beste
van wat zij hebben gedaan." (16:97).
En wie goed doet, hetzij een mannelijk of een vrouwelijk persoon, en een gelovige is - deze zullen de tuin ingaan, waarin hun onderhoud zal worden gegeven zonder maat" (40:40).
Ook in hoofdstuk 33 vers 35 wordt gesproken over goede vrouwen naast goede mannen en worden goede eigenschappen zowel aan mannen als aan vrouwen toegeschreven. Dit vers eindigt met de woorden: "Voor hen heeft Allah vergiffenis en een machtige beloning bereid". Dus God maakt, volgens de Koran, geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, en in moreel en spiritueel opzicht kunnen ze beiden het niveau van voortreffelijkheid bereiken.
B. DE VROUW IS GELIJK AAN DE MAN MET BETREKKING TOTEIGENDOMSRECHTEN
In materieel opzicht vinden we ook geen verschil, behalve datgene
wat de natuurlijke functie eist. Een vrouw mag net als een man geld
verdienen, erven en eigendom bezitten en eigendom afstaan. De Heilige
Koran is expliciet op al deze punten:
De mannen zullen het voordeel hebben van wat zij verdienen en de vrouwen
zullen het voordeel hebben van wat zij verdienen" (4:32).
De mannen zullen een deel hebben van wat de ouders en de naaste bloedverwanten nalaten, en de vrouwen zullen een deel hebben van wat de ouders en de naaste bloedverwanten nalaten" (4:7).
Maar indien zij uit zichzelf verkiezen u een deel ervan ag te staan, eet het dan met genoegenen met heilzaam gevolg" (4:4).
In Arabië hadden vrouwen geen eigendomsrechten. Nee, zij was zelf een deel van de erfenis, en werd samen met andere eigendommen in bezit genomen. Ze had geen recht op het eigendom van haar overleden echtgenoot of vader. De Koran heeft haar uit deze vernederde positie weggehaald en haar verheven naar een positie waar zij volledige vrijheid geniet met betrekking tot vermogens- en erfrecht. In andere landen heeft de vrouw deze verheven positie slechts gedeeltelijk verkregen, en dat ook nog na een eeuwenlange bikkelharde strijd.
C. POLYGAMIE
Er wordt evenwel beweerd dat polygamie en de afzondering van vrouwen,
zoals in de Heilige Koran bevolen, de vrouwen meer schade hebben toegebracht
dan de toekenning van vermogensrechten. Het feit is dat een groot
misverstand heerst op deze twee punten.
Monogamie is regel in de Islam en polygamie is slechts een uitzondering, die toegestaan is onder bepaalde voorwaarden. De volgende twee verzen vormen het enige gezag voor polygamie. Laten we kijken hoe ver dit gaat:
En indien u vreest, dat u niet rechtvaardig tegenover de wezen kunt handelen, trouw dan zulke vrouwen die u goed lijken, twee en drie en vier; maar indien u vreest, dat u tussen haar geen recht zult doen, trouw dan slechts Jn of wat uw rechterhanden bezitten; dit is betamelijker, opdat u niet van de rechte weg zult afdwalen" (4:3).
En zij vragen u om een beslissing omtrent de vrouwen. Zeg: God maakt u Zijn beslissing omtrent haar bekend en datgene wat u in het Boek is gereciteerd aangaande de wezen van de vrouwen, wie gij niet geeft wat voor haar is bestemd, terwijl u ongenegen bent haar te trouwen" (4:127).
Het eerste vers staat polygamie toe onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat "u niet rechtvaardig tegenover wezen kunt handelen", en wat hiermee wordt bedoeld, wordt uit de doeken gedaan in het tweede vers, dat een duidelijke verwijzing bevat naar het eerste vers in de woorden: "datgene wat u in het Boek is gereciteerd aangaande de wezen van de vrouwen". De Arabieren maakten zich schuldig aan dubbele onrecht tegenover vrouwen: ze gaven de weduwen en hun kinderen niet het erfdeel van hun echtgenoten. Bovendien waren de mannen niet geneigd om weduwen die kinderen hadden te huwen, omdat dan de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de kinderen voor hun rekening zou komen. De Koran heeft deze kwaden verholpen. De Koran kent een deel van het nalatenschap toe aan de weduwe en ook een erfdeel aan de wezen, en het Heilig Boek beval aan om zulke weduwen te huwen, en stond polygamie uitdrukkelijk alleen toe voor dit doel. Het moet duidelijk zijn dat monogamie de regel is in de Islam en polygamie wordt alleen toegestaan als een herstellende maatregel. Deze maatregel werd niet in het belang van de man getroffen, maar in het belang van de weduwe en haar kinderen. Deze toestemming werd gegeven in een tijd dat Moslims noodgedwongen oorlog moesten voeren. In deze tijd werden Moslim mannen op grote schaal afgeslacht en zij lieten veel weduwen en wezen achter voor wie moest worden gezorgd. Een voorziening in de vorm van polygamie werd getroffen zodat de weduwe een onderkomen en een beschermer had en de wezen vaderzorg en -liefde kregen. Vandaag de dag heeft Europa ook het probleem dat er een overvloed aan vrouwen is, en laat het afwegen of het dit probleem kan oplossen anders dan een gelimiteerde polygamie toe te staan. Misschien is de enige uitweg prostitutie, die wijd verspreid is in alle Europese landen en als de wet van het desbetreffende land prostitutie niet erkent, dan wordt prostitutie wel in de praktijk erkend.
De zaken zullen hun beloop hebben, en het toestaan van illegale geslachtsgemeenschap is het enige alternatief voor een gelimiteerde polygamie.
D. AFZONDERING
Met betrekking tot de afzondering van vrouwen het volgende. De Koran
heeft nooit vrouwen verboden om uit huis te gaan voor hun behoeften.
In de tijd van de Profeet bezochten vrouwen regelmatig de moskee,
en verrichtten daar de gebeden samen met mannen, maar in een aparte
rij. De vrouwen vergezellen hun mannen bij de arbeid op het veld.
Ze gingen zelfs met het leger naar het slagveld en verzorgden de gewonden,
en ze verwijderden hen van het veld indien het noodzakelijk was. Verder
hielpen ze de soldaten op vele manieren. Ze konden zelfs tegen de
vijand vechten in een noodgeval. Geen enkel beroep werd hen verboden
en ze konden ieder werk verrichtten dat ze wensten. De enige beperkingen
die gelegd werden op hun vrijheid, worden gegeven in de volgende verzen:
Zeg tot de gelovige mannen, dat zij hun ogen nederslaan en hun schaamte bewaken; dat is reiner voor hen; waarlijk, God weet wat zij doen. En Zeg tot de gelovige vrouwen dat zij haar ogen nederslaan en haar schaamte bewaken en haar sierselen niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is, en laat haar haar hoofdbedekkingen over haar boezems dragen" (24:30,31).
De ware beperking die in deze verzen te vinden is, is dat zowel man als vrouw hun blikken behoren neder te slaan wanneer ze elkaar ontmoeten, maar er is een bijkomende beperking voor vrouwen, namelijk dat zij hun sierselen niet tonen met de uitzondering "wat daarvan zichtbaar is". De uitzondering wordt uitgelegd als "datgene wat gewoonlijk en natuurlijk is om niet te bedekken". Dat de vrouwen naar de moskeeën gingen zonder hun gezichten te bedekken, wordt door iedereen erkend, en er is ook een gezegde van de Heilige Profeet dat, wanneer een vrouw de puberteit heeft bereikt zij haar lichaam behoort te bedekken behalve het gezicht en de handen. De meerderheid van de commentatoren is ook van mening dat de uitzondering betrekking heeft op het gezicht en de handen. Alhoewel het tonen van schoonheid verboden is, verstoort deze beperking niet de nodige activiteiten van een vrouw. Ze kan ieder werk verrichten dat zij wenst om haar brood te verdienen, omdat de Heilige Koran ronduit zegt, zoals hierboven is aangehaald, dat vrouwen het voordeel hebben van wat zij verdienen. Een gelimiteerde afzondering en een gelimiteerde polygamie verstoren dus niet de activiteiten van vrouwen. Beide maatregelen zijn bedoeld voor haar bescherming en als een preventie tegen losbandige seksuele relaties, die uiteindelijk de maatschappij ondermijnen.
E. DE POSITIE VAN DE VROUW ZOALS ONDERWEZEN DOOR DE ISLAM
Verschillende verwijzingen en feiten zijn hieronder verzameld, die
de ware bekwaamheden en de positie van vrouwen aantonen, zoals door
de Islam onderwezen.
1. Vrouwen aangehaald als voorbeelden voor de gelovigen
De Heilige Qur'ân zegt:
"En Allâh stelt een voorbeeld voor degenen die geloven - de vrouw van Farao, toen zij zei: Mijn Heer, bouw voor mij een huis bij U in de Tuin en bevrijd mij van Farao en zijn werk, en bevrijd mij van de onrechtvaardige mensen."
"En Maria, de dochter van `Imraan, die haar kuisheid bewaarde; derhalve bliezen Wij in hem (d.i. de gelovige voor wie Maria een voorbeeld is) van Onze inspiratie ..." (66:11-12)
Hier worden twee vrouwen voorgesteld als voorbeelden voor alle Moslimse gelovigen (mannen en vrouwen). De vrouw van Farao typeert de gelovige die nog niet vrij is van de slavernij der zonden (net zoals Farao's vrouw onderworpen was aan het kwaad van Farao), maar die bidt om hiervan bevrijd te worden. Maria typeert de hoogste graad van een gelovige die zichzelf, hij of zij, hoedt voor alle lage begeerten en daardoor inspiraties van God ontvangt.
De Qur'ân heeft dus twee vrouwen aangehaald als de hoogste voorbeelden voor Moslimse mannen en vrouwen om te volgen.
2. Vrouwen ontvangen openbaringen
In de Qur'ân worden voorbeelden gegeven van rechtschapen vrouwen, die openbaringen van God ontvangen:
"En Wij openbaarden tot de moeder van Mozes, zeggende: zoog hem (de baby Mozes), en wanneer u voor hem vreest, werp hem in de rivier en vrees niet, noch wees bedroefd ..." (28:7)
Op gelijke wijze wordt God's openbaring tot Maria vermeld in 19:24-26 en 3:42-43.
Merk op, dat de soort openbaring die in deze passages wordt vermeld, alleen tot diegenen komt, die de hoogste rang van nabijheid tot God bereiken.
3. Een vrouw vermeld als profeten
Net zoals wij in hoofdstuk 19 de woorden "en vermeld Abraham in het Boek" (v. 41), "en vermeld Mozes in het Boek" (v. 51) etc. vinden om het belang van de verschillende
profeten aan te geven, zo vinden wij ook: "En vermeld Maria in het Boek" in exact dezelfde bewoordingen. Op gelijke wijze geeft hoofdstuk 21 voorbeelden van verschillende profeten (verzen 51 tot 90), en verwijst vervolgens in vers 91 op dezelfde wijze naar Maria, en zegt vervolgens in het volgende vers, waarbij naar de gehele groep wordt verwezen:
"Waarlijk, deze gemeenschap van u is één gemeenschap, en Ik ben uw Heer, dien Mij derhalve."
4. De klacht van een vrouw gehoord door Allâh
Hoofdstuk 58 begint als volgt:
"Inderdaad heeft Allâh het pleit gehoord van haar, die bij u (de Profeet Muhammad) pleit over haar echtgenoot en zich bij Allâh beklaagt."
Allâh heeft dus de klacht van een vrouw over haar echtgenoot gehoord en heeft een openbaring aan de Heilige Profeet gezonden om haar grieven goed te maken.
5. Een vrouwelijke heerser in de Qur'ân
De Qur'ân geeft het verhaal van Salomo en de koningin van Sheba. Salomo had een goed georganiseerde inlichtingendienst. Zijn inlichtingenofficier gaf hem de informatie van een naburig land als volgt: (merk op dat dit geen vogel was, zoals algemeen wordt geloofd, maar een man wiens naam 'Hoedhoed' was):
"Ik vond een vrouw over hen regeren, en aan haar is van elk ding gegeven en zij heeft een machtige troon. Ik vond haar en haar volk de zon aanbidden in plaats van Allâh ... en zij zijn niet recht geleid." (27:23-24)
Waar de Qur'ân bezwaar tegen maakt, is niet dat een vrouw het land regeert, maar dat zij en haar onderdanen de zon aanbidden en niet het rechte pad volgen. De Qur'ân vertelt ons hoe zij het land regeert:
"Zij zei: o hoofden, geef mij raad aangaande mijn zaak. Ik beslis nooit een zaak, totdat u in mijn aanwezigheid bent. Zij zeiden: wij (d.i. de natie) zijn bezitters van kracht en grote moed. En het bevel behoort toe aan u; overweeg dus wat u zult doen." (27:32-33)
Zij regeert dus met de raadgeving van haar adviseurs, maar "het bevel behoort toe aan u". De macht van de uiteindelijke beslissing ligt bij haar. De Qur'ân maakt bij het aanhalen hiervan geen bezwaren hiertegen.
In het daaropvolgende verslag zijn Salomo's inspanningen gericht op het haar redden van haar afgodisch geloof, en wanneer zij door zijn argumenten is overtuigd, zegt zij:
"Mijn Heer, waarlijk, ik ben onrechtvaardig tegen mijzelf geweest, en ik onderwerp mij met Salomo aan Allâh, de Heer der werelden." (27:44)
Zij onderwerpt zich niet aan Salomo als haar heer en meester, maar veeleer onderwerpt zij zich aan Allâh tezamen met Salomo, als een gelijke.
6. De vrouwen van de Profeet als leraren van de religie
Na de dood van de Heilige Profeet traden zijn vrouwen op als leraren van religieuze kennis tot de Moslims. Grote aantallen mensen kwamen bij hen met vragen over verschillende zaken. Er is een groot aantal hadîs' door hen overgeleverd, vooral door 'Â'isha (Allâh's tevredenheid zij met haar). Niet alleen vertelden deze vrouwen uitvoerig aan de mensen over de gebeurtenissen uit het leven van de Heilige Profeet, maar hun inzichten werden gebruikt om conclusies te trekken en te oordelen aangaande religieuze kwesties.
Er wordt geschat dat ongeveer tweederde van de hadîs met betrekking tot zaken van de Shâri'ah overgeleverd is door 'Â'isha. Toen de samenstellers van de Hadîs de verslagen van de gezegden en handelingen van de Heilige Profeet bijeen verzamelden en de geschiktheid van de vertellers controleerden, maakten zij geen onderscheid tussen een verteller als te zijn een man of een vrouw. Het bewijs van een vrouwelijke verslaggever, dat zij een bepaald gezegde van een bepaalde bron had gehoord, werd op dezelfde basis als dat van een mannelijke verslaggever behandeld door de Hadîs-verzamelaars.
Een Qur'ânvers, dat vaak wordt besproken, is het volgende:
"O vrouwen van de Profeet, u bent niet als enige andere vrouwen. Indien u uw plichten vervult, wees dan niet zacht in spraak, opdat hij in wiens hart een ziekte is, niet zal begeren. En spreek een goed woord. En blijf in uw huizen en vertoon uw schoonheid niet, gelijk het vertoon van de vroegere tijden der onwetendheid." (33:32-33)
Dit vers verwijst naar de publieke plichten van de vrouwen van de
Heilige Profeet als leraren van de Moslims. De functie van onderwijzing
wordt gegeven met de woorden "spreek een goed woord". Zij
waren publieke figuren die zich in een delicate positie bevonden en
waren derhalve geen gewone individuen. Zij moesten daarom die zaken
vermijden, welke verkeerd konden worden begrepen en hen onder de geringste
zweem van verdachtmakingen zouden kunnen brengen. Tegelijkertijd moesten
zij hun plichten van het geven van onderricht vervullen, hetgeen betekent
dat zij in contact moesten
treden met een groot aantal verschillende soorten mensen. Vandaar
de hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen, inclusief het niet informeel
tot mannen spreken.
7. Vrouwen corrigeren mannen in religieuze zaken
En zijn gevallen waarbij vrouwen de zienswijzen van een man met de status en positie van hazrat 'Umar corrigeerden. In Bugârî staat opgetekend dat hazrat 'Umar op zijn sterfbed beweerde, dat de Heilige Profeet had gezegd dat "het gejammer en geweeklaag van de familieleden van een overleden persoon de straf van die persoon in het leven hiernamaals doen toenemen". Nadat zij hierover was ingelicht, zei 'Â'isha dat 'Umar het verkeerd had en dat de Heilige Profeet dit niet had gezegd, omdat het de lering van de Qur'ân weerspreekt, dat een persoon niet kan worden gestraft voor hetgeen anderen doen.
Toen hij een kalief was, kondigde 'Umar aan dat hij een bepaalde beperking zou invoeren aangaande de mahr (een door de man aan de echtgenote gegeven gift ten tijde van het huwelijk). Een gewone vrouw rees op vanuit het publiek en las een vers voor uit de Qur'ân dat tegengesteld was aan dit idee. 'Umar trok onmiddellijk zijn voorstel in, en zei:
"De vrouwen van deze stad hebben meer begrip dan 'Umar."
(Kunt u zich voorstellen of enig moderne Islamitische heerser dit zou doen?)
8. De Heilige Profeet stelt een vrouw aan als imâm in haar huis
Er is een hadîs in zowel Sunan Abu Dawud als in Musnad van Ahmad ibn Hanbal, dat de Heilige Profeet Muhammad een vrouw, genaamd Umm Waraqa, opdroeg dat zij "als imam voor de mensen van haar huis moest optreden", en zij had een mu'adhdhin (oproeper tot het gebed) in haar huis, die een man was. Aldus baden de mannen van het huis achter haar.
9. De positie van vrouwelijke heiligen
Tazkirat al-Auliya is een beroemde compilatie van de levens van de Moslimse heiligen, bijna 800 jaar geleden geschreven door Farid ud-Din Attar. Het omvat ook het leven van een vrouwelijke heilige, de beroemde Rabî'a van Basra. Attar schrijft aan het begin van het gedeelte dat handelt over haar leven:
"Indien iemand zegt: 'Waarom heeft u Rabî'a toegevoegd
in de rang van mannen', dan is mijn antwoord, dat de Profeet zelf
heeft gezegd: 'God beschouwt niet uw uiterlijke vormen'. De kern van
de zaak is niet de vorm, maar de intentie, zoals de Profeet heeft
gezegd: 'De mensen zullen zich ontwikkelen volgens hun intenties'.
Bovendien, indien
het gepast is om tweederde van onze religie aan 'Â'isha (de
vrouw van de Profeet) te ontlenen, dan is het zekerlijk toelaatbaar
om religieus onderricht te nemen van een dienares van 'Â'isha.
Wanneer een vrouw een 'man' wordt op de weg van God, dan is zij een
man en kan zij niet meer een vrouw genoemd worden."
Dit werd bijna 800 jaar geleden geschreven!
Laatste opmerking
De bovenstaande passages illustreren niet alleen de posities die vrouwen volgens de Islâm kunnen bereiken, maar ze tonen aan dat zij deze posities daadwerkelijk hebben bereikt.
Wij besluiten met de volgende fragmenten uit de Heilige Qur'ân:
"En de gelovigen, mannen en vrouwen, zij zijn elkanders vrienden. Zij gebieden het goede en verbieden het kwade en onderhouden en gebed en betalen de zakât, en gehoorzamen Allâh en Zijn Boodschapper. Aangaande hen, Allâh zal hen genadig zijn. ... Allâh heeft de gelovige mannen en de gelovige vrouwen tuinen beloofd waarin rivieren stromen, om daarin te verblijven ... dat is het grote succes." (9:71-72)
"Op die dag zult u de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zien, hun licht voor hen uitstralende en aan hun rechterhand. Blijde tijdingen voor u deze dag! - tuinen waarin rivieren stromen, om daarin te verblijven." (57:12)