Bismiellah hier-Rahman nier-Rahiem
Ja ajohal-laziena- amenoe kotieba alaikum-mus-siejamo kama kotieba alal-laziena mien qab- lie-kum la al-la kum ta-ta-qoen. (H.K. 2:183).
O gijlieden, die gelooft! de vasten is u voorgeschreven, zoals het degenen vóór u werd voorgeschreven, opdat u zich tegen het kwaad zult hoeden
Volgens Ibn Abbas zag de Profeet, na zijn vlucht naar Medina, de joden op de 10de van de maand Muharram vasten. Hem werd verteld dat Mozes op die dag vastte ter herdenking van de verlossing van de Israëlieten van de Farao. De Profeet merkte op dat de moslims nader bij Mozes waren dan de joden en beval die dag om als een vastendag in acht te nemen (Bu. 30:69).
De gedachte achter dit vrijwillig lijden in de vorm van vasten in dagen van rouw en ongeluk schijnt geweest te zijn om de vertoornde Godheid te verzoenen en erbarming in Hem op te wekken. Het denkbeeld dat de vasten een boetedoening was, komt hier vandaan. Een leed of een ramp werd beschouwd als zonde en met vasten werd een zichtbare uitdrukking van berouw van het hart getoond.
De vasten van Mozes gedurende veertig dagen - welk voorbeeld later door Jezus Christus gevolgd werd - schijnt de enige uitzondering te zijn. Er werd in dit geval gevast als voorbereiding tot het ontvangen van een openbaring.