De instelling van het vasten of saum het zich onthouden van
spijs en drank en sexuele gemeenschap, etc. van zonsopgang tot zonsondergang
kwam in de Islam na die van het gebed. Eerst in Medina, in
het tweede jaar na de uittocht van de heilige profeet Mohammed, werd
het vasten verplicht gesteld en de maand ramadan voor dit doel afgezonderd.
Daarvóór placht de Heilige Profeet als een vrijwillige
devotie op de 10e van de maand moharram te vasten en hij beval ook
zijn volgelingen op die dag te vasten. Die dag was ook voor de Qoereisjieten,
de stam waaruit de Heilige Profeet afkomstig was, een vastendag. De
oorsprong van het vasten in de Islam kan dus nagespoord worden tot
de tijd, toen de Heilige Profeet nog in Mekka was.