Van iemand, die
de morele normen niet in acht neemt, kunnen wij niet verwachten, dat hij een
geestelijk hoogstaand mens zou zijn. Wij bedoelen met de morele normen niet
de omgangsvormen, maar de innerlijke beschaving en innerlijke vorming, die de
mens in staat stelt om de sublieme en edele eigenschappen te tonen.
De mens is
weliswaar een bundel van driften, doch bezit iets waardoor hij in staat is zijn
driften de baas te worden en ze te overheersen. Doet men dit, dan veranderen
de driften in edele eigenschappen.
De Islam leert niet, dat de mens in den beginne een volmaakte natuur zou hebben gehad en door de zgn. zondeval deze natuur zou zijn bedorven. De mens werd geschapen zoals hij nu is en in het wezen van de mens heeft geen verandering plaats gehad. In de Qoer'aan lezen wij: "Voorwaar, Wij hebben de mens in de beste vorm geschapen. En daarna laten Wij hem vervallen tot het allerlaagste." 95:5-6.
Zoals de mens in den beginne werd geschapen, zo wordt hij nu nog op dezelfde wijze geschapen. De mens heeft de keuze om zijn handelingen te bepalen en indien men zijn driften laat zegevieren, vervalt hij in het allerlaagste. Dus dit is een handeling van de mens. Hij kan ook anders indien hij zijn driften onder controle van de rede gebruikt.
De mens was in
den beginne precies zo als nu, daarom heeft de zgn. eerste mens ook zonde begaan.
Ware hij volmaakt geweest, zoals dit beweerd wordt, dan zou hij geen zonde hebben
begaan, want de volmaaktheid eist, dat de betreffende persoon zijn driften de
baas blijft. De aangeboren neigingen zijn goed noch kwaad, indien wij ze op
zich zelf beschouwen. Zij worden goed of kwaad genoemd naar de gevolgen van
de daden, aan welke zij ten grondslag liggen.
Wij kunnen iemand alleen dan een moreel mens noemen indien zijn handelingen
naar de volgende voorwaarden geschieden:
Als de handelingen
onder leiding van rede op de juiste plaats en tijd worden verricht.
Als men de handelingen bewust verricht of nalaat terwijl men bij machte is het
tegenovergestelde van zijn handelingen te kunnen doen.
Als iemand zijn tegenstander niet met gelijke munt kan betalen, zullen wij hem
niet als vergevensgezind prijzen.
Iemand die zich verminkt om een bepaald kwaad te vermijden zal hierdoor geen
morele staat bereiken.
Iemand, die zich afsluit van de wereld, kan zich de hoge moraal niet toeëigenen,
want dit zou betekenen, dat hij gevlucht is voor de verantwoording, die de natuur
op hem legt.
Indien men zijn natuurdriften en neigingen niet doodt, doch evenwichtig onder
controle van de rede op de juiste tijd en plaats bevredigt.
Indien de handelingen van de mens uit vrije keuze en niet onder enigerlei dwang
plaats vinden.
Indien men uit morele en geestelijke overweging zijn handelingen verricht en
niet voor zelfverheerlijking of baatzuchtig.
Als men deze normen in acht neemt, zal men langzamerhand de hoogste stadia van
moraal bereiken. Men zal dan als een voorbeeld zijn voor zijn medemens en als
licht voor zijn omgeving.
Hij zal een harmonieus
leven leiden ten gunste van zich zelf en van zijn medemens.
De Islam
geeft allerlei voorschriften, die de mens leren geduldig, matig, lijdzaam, liefdevol,
dapper, moedig, vredelievend, bescheiden, waarheids-lievend, vergevensgezind,
gastvrij, hulpvaardig, verdraagzaam, verzoenings-gezind, genoegzaam en barmhartig
te zijn; terwijl zijn hart vol is met rust en vrede.
Dit zijn
enkele van de morele eigenschappen, die de leer van de Islam ten gevolge hebben.
Indien men beweert om moslim te zijn, maar de morele staat nog niet heeft bereikt,
moet men proberen eerst deze te bereiken.