--------------------------------------------------------------------------------
Imaan in de
Koran
Het woord Imaan wordt in de Heilige Koran in twee verschillende betekenissen
gebezigd. Volgens Raghib, de beroemde lexicoloog van de Koran, is imaan soms
niets meer dan een belijdenis met de mond, dat men in Mohammed gelooft. Er zijn
in de Heilige Koran veel voorbeelden van dit gebruik van het woord, zoals in
2:62: "Waarlijk, degenen die geloven (amanoe) en degenen die Joden zijn
en de Christenen en de Sabeeërs - allen die in Allah en in de jongste dag
geloven en goed doen, zij zullen hun beloning van hun Heer hebben en er is geen
vrees voor hen, noch zullen zij treuren"; of in 4:136: "O gelovige
(amanoe)! geloof in Allah en Zijn Gezant en het Boek, dat Hij tot Zijn Gezant
heeft geopenbaard". Maar zoals Raghib verder heeft verklaard, imaan duidt
ook de toestand aan, waarin een belijdenis met de tong gepaard gaat met een
instemming van het hart (tasdiq-oen bi-l-qalb) en het in praktijk brengen van
wat men gelooft ('amal-oen bi-l-djawarih, letterlijk het verrichten van daden
met de ledematen), zoals in 57:19: "En aangaande degenen, die in Allah
en Zijn gezanten geloven, dat zijn degenen, die de waarheidlievenden en de getrouwen
van hun Heer zijn". Het woord wordt echter ook in een van beide laatste
betekenissen gebezigd, d.w.z. in de zin van enkel instemming van het hart of
het verrichten van goede daden. Voorbeelden hiervan zijn: "De bewoners
van de woestijn zeggen: Wij geloven - Zeg: Jullie geloven niet, maar zeg: Wij
onderwerpen ons; en het geloof is in uw harten nog niet ingegaan" (49:14),
waar geloof klaarblijkelijk de in het vers zelf verklaarde instemming van het
hart betekent; "En wat voor reden hebben jullie, dat jullie niet in Allah
zouden geloven, en de Gezant roept jullie, opdat jullie in jullie Heer zullen
geloven, - inderdaad heeft Hij een verbond met jullie gesloten, - indien jullie
gelovigen zijn" (57:8), waar "in Allah zouden geloven" betekent:
offers zouden brengen aan de zaak van de waarheid, zoals het verband aantoont.
Het woord imaan, zoals het in de Heilige Koran wordt gebezigd, betekent dus
of enkel een belijdenis van de waarheid met de mond, of slechts instemming van
het hart en een vaste overtuiging van de door de Heilige Profeet gebrachte waarheid,
of het verrichten van goede daden en het in praktijk brengen van de aangenomen
beginselen, of het kan al deze drie betekenissen tezamen hebben. Gewoonlijk
wordt het echter gebezigd ter aanduiding van een instemming van het hart - gepaard
met een belijdenis van de mond natuurlijk - met hetgeen de profeten van God
brengen, ter onderscheiding van het verrichten van goede daden, en daarom wordt
er van de rechtschapenen, gelijk reeds is opgemerkt, gesproken als degenen die
geloven en goed doen.
--------------------------------------------------------------------------------
Imaan in de
Hadies
In de hadies wordt het woord imaan dikwijls in zijn ruimere betekenis gebezigd,
d.w.z. als in zich goede daden omvattende, en soms enkel in de zin van goede
daden. Zo zou de Heilige Profeet hebben gezegd: "imaan (geloof) heeft meer
dan zestig takken en zedigheid (haya) is een tak van het geloof" (Al-Sahih
al-Bukhari 2:3). In een andere hadies zijn de woorden: "Imaan heeft meer
dan zeventig takken, waarvan de hoogste is (het geloof), dat niets waardig is
aanbeden te worden behalve Allah (La iIaha ill-Allah) en waarvan de laagste
is, het uit de weg ruimen van datgene, wat iemand letsel kan veroorzaken"
(Al-Sahih al-Muslim 1:12). In een zekere hadies staat: "De liefde van de
Ansaar { 1 }is een teken van geloof" (Bukhari 2:10). In een andere lezen
wij: "Iemand heeft geen geloof, tenzij hij voor zijn broeder datgene liefheeft,
wat hij voor zichzelf liefheeft" (Bukhari 2:7). En een derde zegt: "Iemand
van jullie heeft geen geloof, tenzij hij een groter liefde voor mij heeft dan
voor zijn vader en zijn zoon en al de mensen" (Bukhari 2:8). Het woord
imaan wordt dus op alle goede daden toegepast, en Bukhari heeft als titel van
een van zijn hoofdstukken in de Kitaab al-imaan (boek 2): "Hij die zegt:
imaan is niets anders dan goed doen", tot staving waarvan hij Koranverzen
aanhaalt. Hij betoogt aan de hand van verzen, die het over vermeerderen van
het geloof heeft, dat goede daden een deel van het geloof zijn, want anders
zou er van het geloof niet op die wijze gesproken kunnen zijn.
--------------------------------------------------------------------------------
Koefr of ongeloof
Zoals imaan het aannemen van de door de Profeet gebrachte waarheid is, zo is
koefr het verwerpen ervan. En zoals het in de praktijk aannemen van de waarheid
of het verrichten van een goede daad imaan of een deel van imaan wordt genoemd,
zo wordt het in de praktijk verwerpen van de waarheid of het verrichten van
een slechte daad koefr of een deel van koefr genoemd. De titel van een hoofdstuk
in de Bukhari luidt als volgt: "Ma'asi (handelingen van ongehoorzaamheid)
behoren tot de zaken van de djahiliyya" (Bukhari 2:22). Nu betekent djahiliyya
(letterlijk onwetendheid) in de terminologie van de Islam de "tijd van
de onwetendheid" vóór de komst van de Heilige Profeet en
is dus synoniem met koefr of ongeloof. Tot staving hiervan wordt een overlevering
aangaande Abu Dharr aangehaald, die zei, dat hij iemand beschimpte, d.w.z. hem
aansprak met "zoon van een negerin", waarover de Heilige Profeet opmerkte:
"Abu Dharr! jij vit op hem wegens zijn moeder; waarlijk, je bent iemand
in wie djahiliyya is" (Bukhari 2:22). De blote handeling van op iemand
te vitten wegens zijn neger-afkomst wordt dus djahiliyya of koefr genoemd. Volgens
een andere hadies heeft de Profeet zijn metgezellen in de volgende bewoordingen
gewaarschuwd: "Wacht! wordt geen ongelovige (koeffaar, mv. van kafir) na
mij, zodat sommigen van jullie anderen de halzen afslaan" (Bukhari 25:132).
Hier wordt het doden van moslims door moslims veroordeeld als een daad van ongeloof.
In een andere hadies staat "Een moslim beschimpen is een overtreding en
tegen hem strijden is ongeloof (koefr)" (Bukhari 2:36) Ondanks het feit,
dat in deze hadies de onderlinge strijd van de moslims koefr wordt genoemd -
en zij, die onderling strijden, worden zelfs kafir's genoemd -, spreekt de Heilige
Koran van twee groepen van moslims, die tegen elkaar strijden, toch als gelovigen
(moe'minien) (49:9) { 2 }. Het is dus duidelijk, dat zulk een handeling een
daad van ongeloof (koefr) genoemd wordt enkel als zijnde een daad van ongehoorzaamheid.
Dit punt is verklaard door Ibn Athir in zijn welbekend woordenboek van hadies,
de Nihaya. Terwijl hij over het woord koefr schrijft, zegt hij: "Er zijn
twee soorten van koefr (ongeloof): de ene is een loochening van het geloof zelf,
en dat is het tegendeel van geloof; en de andere is de loochening van een far'
(tak) van de foeroe' van de Islam, en op grond daarvan treedt men niet uit het
geloof zelf". Zoals reeds is aangetoond, de foeroe' van de Islam zijn zijn
voorschriften, en dus is het in de praktijk verwerpen van een voorschrift van
de Islam - terwijl het koefr wordt genoemd - geen koefr in de technische zin
van het woord, d.w.z. een loochening van de Islam zelf. Hij gewaagt ook van
een voorval, dat deze kwestie toelicht. Men vroeg Azhari, of iemand (d.w.z.
een moslim) een kafir (ongelovige) werd, enkel omdat hij een zekere mening er
op na hield, en hij antwoordde, dat zo'n mening koefr (ongeloof) was. En toen
men er verder bij hem op aandrong, voegde hij er aan toe: "De moslim maakt
zich soms schuldig aan koefr (ongeloof)". Het is dus duidelijk, dat een
moslim een moslim blijft, al maakt hij zich ook schuldig aan een daad van ongeloof
(koefr).
--------------------------------------------------------------------------------
Een moslim kan
geen kafir genoemd worden
In de paragraaf hiervoor is duidelijk aangetoond, dat een moslim eigenlijk geen
kafir genoemd kan worden. Daar elke slechte handeling of daad van ongehoorzaamheid
een deel van koefr is, kan zelfs een moslim een daad van ongeloof begaan. En
het tegendeel is even waar, nl. dat zelfs een ongelovige een daad van geloof
kan verrichten, aangezien elke goede daad een deel van het geloof is. Daar zit
niets paradoxaals in. De scheidingslijn tussen een moslim en een kafir, of tussen
een gelovige en een ongelovige, is een verklaring van geloof in de Eenheid Gods
en het profeetschap van Mohammed - La ilaha ill-Allah Moehammed-oen Rasoeloe-llah.
Een persoon wordt een moslim of een gelovige door een verklaring af te leggen
omtrent zijn geloof in de Eenheid Gods en het profeetschap van Mohammed. Zolang
hij zijn geloof daarin niet verzaakt, blijft hij in technische zin een moslim
of een gelovige, welke mening hij ook er op na houdt over een godsdienstzaak,
welke dan ook, of welk kwaad hij ook begaan heeft. Een persoon die die verklaring
niet aflegt, is technisch een niet-moslim of een ongelovige welke goede daad
hij ook verricht. Dat wil niet zeggen, dat de moslim voor zijn slechte daden
niet gestraft wordt, of dat de goede daden van de niet-moslim niet beloond worden.
De wet van de vergelding van goed en kwaad is een wet op zich, die van kracht
blijft onafhankelijk van het geloof, en de Heilige Koran drukt het in zeer duidelijke
woorden uit: "Dus wie het goede heeft gedaan ter zwaarte van een atoom,
zal het zien; en wie het kwade heeft gedaan ter zwaarte van een atoom, zal het
zien" (99:7,8). Een gelovige kan het kwade doen en een ongelovige kan het
goede doen, en ieder zal vergolden worden, wat hij doet. Maar niemand heeft
het recht om iemand uit de broederschap van de Islam te bannen, zolang hij de
Eenheid Gods en het profeetschap van Mohammed belijdt. De Koran en de hadies
laten, wat dat betreft, niet de minste twijfel over bestaan. Zo lezen wij in
de Heilige Koran: "En zegt niet tot iemand die jullie een groet brengt:
Je bent geen gelovige" (4:94). De Islamitische groet, al-salamoe 'alai-koem
of vrede zij over jou, wordt dus beschouwd als een genoegzame aanduiding, dat
de persoon die haar brengt, een moslim is, en niemand heeft het recht tegen
hem te zeggen, dat hij geen gelovige is, ook al is hij nog zo onoprecht. De
Heilige Koran heeft het over twee groepen van moslims, die tegen elkaar strijden
en toch spreekt hij van beide als moe' min: "En indien twee partijen van
de gelovigen (moe'minien) tegen elkaar strijden, brengt dan verzoening tussen
haar beide tot stand" (49:9). Hij zegt dan verder: "De gelovigen zijn
slechts broeders; derhalve, brengt verzoening tussen jullie broeders tot stand"
(49:10). Zelfs degenen, die als huichelaars bekend stonden, werden door de Heilige
Profeet en zijn metgezellen als moslims behandeld, al weigerden zij ook deel
te nemen aan de strijd, die de moslims moesten aanbinden ter zelfverdediging.
En toen de vermeende leider van deze huichelaars, de befaamde 'Abd-Allah ibn
Ubayy stierf, zond de Heilige Profeet lijkgebeden op bij zijn graf en behandelde
hem als een moslim. Ook de hadies laat, wat dat betreft, niet de minste twijfel
over bestaan. De Heilige Profeet zou volgens een hadies hebben gezegd: "Een
ieder die gebeden doet, zoals wij dat doen en zijn gelaat wendt tot onze Qibla
en het door ons geslachte dier eet, is een moslim, voor wie het verbond van
Allah en Zijn Gezant is; derhalve, schendt Allah's verbond niet" (Bukhari
8:28). Volgens een andere hadies zou hij hebben gezegd: "Drie dingen zijn
de grondslag van het geloof: zich afhouden van degene, die zijn geloof verklaart
in la ilaha ill-Allah, je zal hem geen kafir noemen om welke zonde dan ook en
hem ook niet uit de Islam bannen om welke daad dan ook . . . (Abu Dawud 15:33).
En volgens een derde hadies, overgeleverd door Ibn 'Umar, zei hij: "Wie
het volk van la ilaha ill-Allah een kafir noemt is zelf nader bij koefr"
(Tb.). Met het volk van la ilaha ill-Allah of de voorstanders van de Eenheid
worden klaarblijkelijk de moslims bedoeld, en er wordt zeer duidelijk aangetoond,
dat degene die de Kalima aflegt, dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed
Zijn Gezant is, een moslim wordt en dat hem een kafir te noemen de grootste
zonde is. Het is duidelijk, dat het lidmaatschap van de Islamitische broederschap
iets is, dat niet beoordeeld moet worden door deze of gene grote godgeleerde,
goed bedreven in logische spitsvondigheden, maar veeleer door de gewone man,
door de verstandige man, of zelfs door de ongeletterde, die over een ander kan
oordelen naar diens uiterlijk alleen, die zelfs met een groet naar de Islamitische
trant tevreden is, die geen nader bewijs verlangt, als hij iemand zijn gelaat
naar de Qibla ziet wenden, en voor wie Islam betekent: belijdenis van de Eenheid
Gods en het profeetschap van Mohammed. Een leerstuk, dat zo duidelijk en zo
krachtig in de Heilige Koran en de hadies geleerd wordt, heeft de steun van
de grote en geleerde mensen onder de moslims niet nodig, maar ondanks de scheuringen
en verschillen, die naderhand ontstonden en ondanks de talloze ingewikkeldheden,
die de logische spitsvondigheden van latere godgeleerden in het eenvoudige geloof
van de Islam invoerden, wordt bovengemeld beginsel door alle autoriteiten op
het gebied van de Islam voorgestaan. Zo somt de schrijver van de Mawaqif de
gevoelens van moslimse godgeleerden in de volgende bewoordingen op: "De
meerderheid van de godgeleerden en rechtsgeleerden is het erover eens, dat niemand
van de Ahl Qibla (mensen, die de Ka'ba tot qibla aannemen) een kafir genoemd
kan worden" (Al Mawafiq, blz. 600). En de beroemde Abu-l-Hasan Asj'ari
schrijft reeds in het begin van zijn boek, Maqalat al-Islamiyyien wa ichtilafat
al-Moesallien (d.w.z. Wat de moslims zeggen en de verschillen van degenen, die
bidden): "Na de dood van hun Profeet kregen de moslims omtrent vele punten
onenigheid; sommigen van hen noemden anderen dall (het afdwalen van het rechte
pad) en sommigen vermeden anderen, zodat zij volkomen van elkaar gescheiden
sekten en verspreide groepen werden, maar de Islam verenigt hen allen en omvat
hen allen in zijn gebied" (Maqalat al Islamiyyien, blz. 1 v.). Ook Tahawi
zou hebben gezegd: "Niets kan een persoon uit de imaan drijven; behalve
de loochening van hetgeen hem haar doet ingaan" (Rd. III, blz. 310). Evenzo
zegt Ahmad ibn al-Mustafi, dat slechts kwezelachtige personen elkaar kafirs
noemen, want, voegt hij er aan toe: "Betrouwbare Imaam's uit de Hanafieten
en de Sjafi'ieten en de Malikieten en de Hanbalieten en de Asj'arieten zijn
van oordeel, dat niemand van de Ahl Qibla een kafir genoemd kan worden"
(Miftah al Sa'ada I, blz. 46). Inderdaad waren het de Chwaridjieten, die het
eerst verdeeldheid of sektegeest in de Islam invoerden, door hun moslimse broeders
kafirs te noemen, enkel omdat zij het met hun gevoelens oneens waren.
--------------------------------------------------------------------------------
Imaan en Islam
De juiste betekenis en het juiste gebruik van de woorden imaan en lslam hebben
wij reeds verklaard. Het woord Imaan betekent oorspronkelijk: overtuiging van
het hart, terwijl het woord Islam oorspronkelijk betekent: onderwerping en dus
in de eerste plaats betrekking heeft op de daad. Dit verschil in oorspronkelijke
betekenis komt in de Koran zowel als in de hadies tot uitdrukking, maar in het
dagelijks gebruik drukken zij dezelfde betekenis uit, en moe'min en moslim worden
gewoonlijk door elkaar gebezigd. Een voorbeeld van het onderscheid in het gebruik
daarvan in de Heilige Koran geeft 49:14: "De bewoners van de woestijn zeggen:
Wij geloven (amanna, van Imaan).- Zeg: Jullie geloven niet, maar zeg: Wij onderwerpen
ons (aslamna, van islam); en het geloof is in uw harten nog niet ingegaan; en
indien jullie Allah en Zijn Gezant gehoorzamen, zal Hij niets van jullie werken
afdoen; waarlijk, Allah is Vergevensgezind, Genadig". Daarmee is natuurlijk
niet gezegd, dat zij niet in het profeetschap van Mohammed geloofden. De betekenis
van het ingaan van het geloof in het hart wordt duidelijk aangetoond in het
onmiddellijk daarop volgende vers: "De gelovigen zijn slechts degenen,
die in Allah en Zijn Gezant geloven, en vervolgens niet twijfelen en hard met
hun bezittingen en hun leven langs Allah's weg strijden; zij zijn de waarheidlievenden"
(49:15). Inderdaad worden beide woorden imaan en Islam gebezigd ter aanduiding
van twee verschillende stadia van de geestelijke ontwikkeling van de mens. Men
zegt, dat een persoon geloofde (amana), wanneer hij enkel zijn geloof in de
Eenheid Gods en het profeetschap van Mohammed verklaart, wat inderdaad het eerste
stadium van geloof is, want slechts met te verklaren, dat men een beginsel aanneemt,
begint men. En men zegt ook, dat een persoon geloofde (amana), wanneer hij de
beginselen, waarin hij zijn geloof verklaard heeft, in hun volle omvang in praktijk
brengt. Voorbeelden van het gebruik in deze beide betekenissen hebben wij reeds
gegeven; voorbeelden van het eerste zijn 2:62, 4:136; een voorbeeld van het
laatste (49:15) hebben wij zojuist hierboven aangehaald. Het enige verschil
is, dat geloof of imaan in de eerste betekenis gebruikt, in zijn eerste stadium
een belijdenis is met de mond - een verklaring van geloof in het beginsel; en
dat in de tweede betekenis Imaan vervolmaakt is en het laatste stadium van het
geloof aanduidt - dat dus de diepten van het hart is ingegaan en de gewenste
verandering heeft teweeggebracht. Hetzelfde is het geval met het gebruik van
het woord Islam; in zijn eerste stadium is het enkel een bereidwilligheid om
zich te onderwerpen, zoals in het boven aangehaalde vers (49:14); in zijn laatste
stadium is het een volkomen onderwerping, zoals in 2:112: "Ja, wie zich
geheel aan Allah onderwerpt (aslama) en de weldoener is (van anderen), heeft
zijn beloning van zijn Heer, en er is geen vrees voor hen, noch zullen zij treuren".
Zowel imaan als Islam zijn in haar eerste en laatste stadium dus dezelfde -
van een blote verklaring heeft zij zich tot volkomenheid ontwikkeld en doorlopen
zij al de tussenliggende stadia. Zij hebben beide een uitgangspunt en een doel;
en de persoon die zich op het uitgangspunt bevindt, hij die nog maar een beginneling
is, en de persoon die het doel heeft bereikt, worden beide, ondanks alle verschil
tussen hen, moe'min of moslim genoemd, evenals ook degenen die onderweg zijn,
op verschillende etappen van de reis.
--------------------------------------------------------------------------------
Geen dogma's
in de Islam
Bovenstaande bespreking brengt ons tot de conclusie, dat er in de Islam geen
dogma's zijn, geen geloof zonder meer, de mens opgedrongen voor zijn zogenaamde
zaligmaking. Geloof is volgens de Islam niet slechts een overtuiging van de
waarheid van een gegeven stelling maar is in wezen het aannemen van een stelling
als grondslag voor een daad. De Koran staat deze gedachte bepaaldelijk voor,
want terwijl volgens hem de stelling betreffende het bestaan van duivels even
waar is als die betreffende het bestaan van engelen, wordt geloof in engelen
herhaalde malen vermeld als een deel van het geloof van een moslim, terwijl
ongeloof in duivels even duidelijk als noodzakelijk wordt vermeld: "Daarom,
wie niet gelooft (yakfoer) in de duivel en gelooft (yoe'min) in Allah, heeft
inderdaad het hechtste handvat vastgegrepen" (2:256). De woorden, die hier
gebezigd zijn voor geloven in God en niet geloven in duivels zijn respectievelijk
imaan en koefr. Indien imaan niets anders dan geloof in het bestaan van een
ding betekende en koefr het loochenen van het bestaan van een ding, dan zou
ongeloof in duivels niet als noodzakelijk in verband met geloof in God vermeld
kunnen zijn. God bestaat, de engelen bestaan, de duivel bestaat; maar terwijl
wij in God en Zijn engelen moeten geloven, moeten we niet in de duivel geloven.
Dat komt, doordat de engel volgens de Koran het wezen is, dat het doen van goed
ingeeft en de duivel het wezen is, dat het doen van kwaad inblaast, zodat geloof
in engelen in werkelijkheid betekent: het handelen volgens de ingevingen om
het goede te doen en ongeloof in de duivel: het weigeren om boze gedachten te
koesteren. Imaan (geloof) betekent dus in werkelijkheid: het aannemen van een
beginsel als grondslag voor een daad, en elk leerstuk van de Islam beantwoordt
aan deze beschrijving. Er zijn geen dogma's, geen mysteriëën, geen
geloof, dat geen daad vereist; want elk geloofsartikel is een beginsel, dat
in praktijk moet worden gebracht tot hogere ontwikkeling van de mens.
--------------------------------------------------------------------------------
Beginselen van
het geloof
De gehele religie van de Islam wordt kort opgesomd in de twee korte zinnen:
La ilaha ill-Allah, d.w.z. er is geen god dan Allah, of niets verdient tot voorwerp
van liefde en aanbidding gemaakt te worden behalve Allah, Moehammed-oen Rasoeloe-llah,
d.w.z. Mohammed is de Gezant van Allah. Enkel door van de waarheid van deze
beide eenvoudige stellingen getuigenis af te leggen treedt men in de schoot
van de Islam. Deze beide samenstellende delen van het eenvoudige geloof van
de Islam komen in de Heilige Koran niet samen voor, zoals in de aan-genomen
geloofsbelijdenis. Het eerste deel van de geloofsbelijdenis is het onderwerp,
dat de Heilige Koran voortdurend en onveranderlijk behandelt, en een geloof
in de Eenheid Gods, in het feit dat er geen god is dan Allah, wordt herhaalde
malen vermeld als het grondbeginsel, niet alleen van de Islam, maar ook van
elke godsdienst, die door God is geopenbaard. Het neemt verschillende vormen
aan: "Hebben zij een god naast Allah?" "Hebben zij een god buiten
Allah?" "Er is geen god dan Allah"; "Er is geen god dan
Hij"; "Er is geen god dan U"; "Er is geen god dan Ik".
Het tweede deel van de geloofsbelijdenis, Moehammed-oen Rasoeloe-llah, grondt
zich op het gezantschap van de Heilige Profeet Mohammed, eveneens een onderwerp,
dat de Heilige Koran voortdurend en onveranderlijk behandelt. Dezelfde woorden
komen voor in 48:29. Uit de hadies blijkt, dat het aannemen van deze beide samenstellende
delen van de geloofsbelijdenis een noodzakelijk te vervullen voorwaarde is van
het aannemen van de Islam (Bukhari 2:40). Het bovenstaande wordt in de terminologie
van de latere godgeleerden imaan moedjmal of een korte verklaring van geloof
genoemd, terwijl de gedetailleerde verklaring van geloof, die de latere godgeleerden
moefassal noemen, reeds in het begin van de Heilige Koran als volgt wordt vermeld:
geloof in de Ongeziene (d.w.z. God), geloof in hetgeen tot de heilige profeet
Mohammed werd geopenbaard en in hetgeen tot de profeten vóór hem
werd geopenbaard en geloof in het leven hiernamaals (2:2-4). Verderop worden
in hetzelfde hoofdstuk vijf geloofsbeginselen duidelijk vermeld: "Dat men
gelooft in Allah en de jongste dag en de engelen en het boek en de profeten"
(2:177). De Heilige Koran toont herhaalde malen duidelijk aan, dat slechts geloof
ten aanzien van deze vijf beginselen vereist wordt. In de hadies is een kleine
afwijking. Buchari zegt aldus: "Dat je gelooft in Allah en Zijn engelen
en in de ontmoeting met Hem en Zijn Gezanten en dat je gelooft in het leven
hiernamaals" (Bukhari 2:37). Merk op, dat geloof in de ontmoeting met God
hier afzonderlijk wordt vermeld, en terwijl dat in de Heilige Koran, in het
bovenaangehaalde vers, in het geloof in God vervat is, wordt het ook op vele
plaatsen afzonderlijk vermeld, waarover zie 13:2, enz. Verder wordt in de hadies
"het boek" niet afzonderlijk vermeld en is het vervat in het woord
"Gezanten". De grondslag van het geloof rust volgens de Heilige Koran
en de hadies dus op vijf beginselen: God, Zijn Engelen, Zijn Profeten, Zijn
Boeken en het Leven hiernamaals. Maar in sommige hadies' worden de volgende
woorden bijgevoegd: "Dat je gelooft in qadar (letterl. de maat)".
Het lijdt geen twijfel, dat qadar in de Heilige Koran als een wet van God wordt
vermeld, maar nooit als een geloofsartikel, en al de goddelijke wetten worden
door ieder moslim als waar aangenomen.
--------------------------------------------------------------------------------
Betekenis van
geloof
Zoals ik reeds zei, alle geloofsartikelen zijn in werkelijkheid beginselen van
de daad. Allah is het Wezen, Dat alle volmaakte attributen heeft, en wanneer
van een persoon geëist wordt, dat hij in Allah gelooft, dan wordt in werkelijkheid
van hem geëist, dat hij zich tot bezitter maakt van de hoogste zedelijke
eigenschappen, daar zijn doel is de goddelijke attributen te bereiken. Hij moet
zich het hoogste en zuiverste ideaal voor ogen stellen, dat men zich indenken
kan en zijn gedrag naar dat ideaal inrichten. Geloof in de engelen betekent,
dat de gelovige de goede aandriften moet volgen, die hem van nature eigen zijn,
want de engel is het wezen, dat een goede aandrift in werking stelt. Geloof
in de boeken Gods wil zeggen, dat wij de daarin begrepen voorschriften tot ontwikkeling
van onze innerlijke vermogens moeten volgen. Geloof in gezanten betekent, dat
wij aan deze edele personen een voorbeeld moeten nemen en evenals zij ons leven
moeten opofferen voor de mensheid. Geloof in het leven hiernamaals of de jongste
dag zegt ons, dat lichamelijke en stoffelijke vooruitgang het doel van het leven
niet is, maar dat zijn ware doel oneindig hoger is, waarvan de Opstanding of
de Jongste dag slechts het begin is.
--------------------------------------------------------------------------------
{ 1 }. De inwoners van Madina, die de Profeet bij gelegenheid van zijn vlucht naar die stad hielpen, worden Ansaar genoemd, welk woord het meervoud is van nasir, d.w.z. een helper.
{ 2 }. "En
indien twee partijen van de gelovigen tegen elkaar strijden, breng dan verzoening
tussen haar beide tot stand; maar indien een van haar onrechtvaardig tegen de
andere handelt, bestrijd dan die, welke onrechtvaardig handelt tot zij tot Allah's
gebod terugkeert" (49:9).