Van tijd tot tijd
zal onder de moslims moedjaddids (vernieuwers) opstaan. God had daartoe het
bevel uitgevaardigd, hetgeen duidelijk vermeld wordt door de Heilige Profeet.
Aboe Dawoed, het meest authentieke boek van de hadies, na Al-Boechari en Al-Moeslim,
maakt dan ook gewag van het volgende (in vertaalde vorm):'Waarlijk, Allah zal
voor deze gemeenschap (van moslims) in het begin van iedere eeuw (hidjra) iemand
doen opstaan, die hun godsdienst zal hervormen.' (Aboe Dawoed Soeleiman (overl.
in 275 AH) Kitaab al-Soenan, hoofdstuk Al-Malahim, boek II, blz. 241., uitgave
Ansari Press, Delhi-India).
Alle behoeders (hoeffaaz) van de hadies hebben aanvaard dat deze hadies authentiek
is. Dit vermeldt Imaam Jalal-ud-Din Suyuti (overleden in 911 AH of 1505). Daarnaast
heeft een hele reeks islamitische heiligen (auliya) die in verschillende eeuwen
van het moslimse tijdperk leefden, verkondigd dat zij door Allah als moedjaddid
van hun respectievelijke eeuw waren aangesteld. In de werken van enkele van
deze moedjaddids, zoals Imaam Ahmad ibn Hanbal (tweede eeuw AH), Imaam ibn Taimiyyah
(zevende eeuw AH), Imaam Suyuti (tiende eeuw AH), Shaikh Ahmad Sirhindi, Moedjaddid-Alf-i-Thani
(elfde eeuw AH) en Shah Wali-Ullah, Moehaddas Dehlvi (twaalfde eeuw AH) wordt
duidelijk gesteld dat, overeenkomstig de melding in de beroemde hadies van Aboe
Dawoed, God hen als moedjaddid van hun tijd benoemd had.
Men dient er zich ook rekenschap van te geven dat er in dezelfde eeuw wellicht
meer dan één moedjaddid op verscheidene plaatsen kunnen opstaan.
Dit hangt van de op dat moment geldende omstandigheden af. Maar al de moedjaddids
hadden slechts één doel voor ogen en dat was de islam te verdedigen
en in al zijn luister te herstellen, opdat de wereld deze kon aanschouwen. Bij
het uitvoeren van hun werk en het vervullen van hun plicht werden sommigen van
hen zwaar beproefd, maar dit werd blijmoedig door hen gedragen.
Wanneer wij de Heilige Koran raadplegen, zien we dat deze vermeldt dat er galifa's
(opvolgers) van de Profeet Mohammed uit deze oemma zullen opstaan. In het hoofdstuk
Het Licht lezen we het volgende:
'God heeft degenen onder u, die geloven en het goede doen, beloofd dat Hij hen
zeker tot regeerders op de aarde zal maken, zoals Hij degenen vóór
hen tot regeerders maakte' (24:55).
Ook moet men goed begrijpen dat ondanks het feit dat er aan het profeetschap
een eind is gekomen, God met de rechtschapenen en de uitverkorenen van deze
oemma zal blijven spreken. En als er enkele ernstige fouten ongedaan gemaakt
zullen moeten worden, dan zal Hijzelf de volgelingen van Mohammed leiden. Zodoende
zijn Gods communicatie met niet-profeten en Zijn openbaringen aan hen de basis
van dit verslag. Ook in de Heilige Koran is regelmatig vermeld dat God met niet-profeten
sprak, zoals in de volgende voorbeelden:
a. 'En Wij openbaarden aan Mozes' moeder' (28:7), hoewel zij geen profetes
was.
En ook:'Toen Wij aan uw moeder openbaarden wat geopenbaard werd' (20:38).
b. De leerlingen van Jezus waren geen profeten, maar ook van hen wordt vermeld
dat zij Gods openbaring ontvingen:'En toen Ik aan de discipelen openbaarde'
(5:111).
c. Over de rechtschapen dienaren (auliya) van deze oemma wordt het volgende
in de Koran vermeld:'Op hen dalen de engelen neder' (41:30).
En ook:'Zij zullen blijde tijdingen hebben in het leven van deze wereld'(10:64).
d. Dit is bevestigd in authentieke verslagen van de Heilige Profeet:'Er is niets
van het profeetschap overgebleven, behalve moebasjsjaraat (goed nieuws)' (Al-Boechari,
92:5).
e. Bovendien wordt er in verslagen waarvan men het unaniem over de authenticiteit
eens is, vermeld dat God met de volgelingen van de Heilige Profeet net zo zal
communiceren als Hij dat met de niet-profeten van andere naties deed (Al-Boechari,
62:6). Dus, als het noodzakelijk is dat een moedjaddid goddelijke mededelingen
ontvangt, dan kunnen zowel de Koran als de authentieke 'verslagen' bevestigen
dat deze oemma met deze mededelingen begunstigd zal worden.
De Moedjaddid
van de veertiende eeuw hidjra
Als het dus volgens de Koran, de hadies en de uitspraken en aanspraken van andere
moedjaddids vaststaat dat de komst van een moedjaddid aan het begin van iedere
eeuw zeer belangrijk is, wie was dan de Moedjaddid van de veertiende eeuw AH,
die nu bijna ten einde loopt? Een moedjaddid moet zichzelf aan de moslimse gemeenschap
bekendmaken, want Allah heeft hem aangesteld om het geloof te doen herleven.
Degene die op grond van valse aanspraken mensen misleidt, wordt met de meest
afschuwwekkende straf bedreigd.
'En indien hij tegen Ons sommige van de gezegden verzonnen had, zouden Wij hem
bij de rechterhand hebben aangegrepen, vervolgens zouden wij zeker zijn hartader
hebben afgesneden.' (De Koran, 69:44-48).
In 1885 echter gaf een heilig en geleerd man, Mirza Ghulam Ahmad van Qadian
(district Gurdaspur, Punjab, India) geheten, een manifest uit. Hierin verwees
hij eerst naar de publikatie van Barahin Ahmadiyya _ een boek waarin hij de
waarheid vaststelde van de leer van de islam en de bezwaren weerlegde die tegen
de islam te berde worden gebracht, en de noodzaak van de goddelijke openbaring
benadrukte, waarbij hij licht wierp op de verschillende facetten ervan _ om
vervolgens te verklaren:'Deze dienaar van Allah heeft dankzij de genade van
Allah de Almachtige een duidelijk bewijs gekregen dat vele van de goddelijke
ingevingen, tekenen en wonderen die algemeen aanvaard zijn, en berichten over
de ongeziene en goddelijke geheimen, visioenen en gebeden, deel uitmaken van
de religieuze ervaring van deze dienaar van het geloof. En vele van mijn religieuze
tegenstanders (de Arya's bijvoorbeeld) kunnen getuigen dat ik de waarheid spreek.
Al deze zaken komen in dit boek aan de orde en aan de auteur is de kennis doorgegeven
dat hij de moedjaddid van deze tijd is, dat zijn uitmuntende eigenschappen op
dit vlak op die van de Messias, de zoon van Maria, lijken, en dat er een zeer
grote gelijkenis en een sterke verwantschap tussen hen bestaat.'
De publikatie van Barahin Ahmadiyya maakte diepe indruk op de moslims. Ze waardeerden
de schrijver om zijn rechtschapenheid en vroomheid, om de goede dingen die hij
gedaan had voor de zaak van de islam, om zijn wetenschappelijke werken en om
zijn onverschrokken stellingname ten opzichte van de tegenstanders van de islam.
De jeugd van
Mirza Ghulam Ahmad
Voordat we proberen meer te begrijpen van de boodschap die Mirza Ghulam Ahmad
bracht, is het de moeite waard iets over de man zelf te weten.
Mirza Ghulam Ahmad werd naar alle waarschijnlijkheid in het jaar 1835 geboren.
Hij was de zoon van Mirza Ghulam Murtaza, wiens voorouders (die van hadji Birlaas
afstamden) in 1530 van Samarqand naar India geëmigreerd waren tijdens het
bewind van grootmogol Babar, en zich in het district Gurdaspur (Punjab, India)
gevestigd hadden. Hier stichtten zij de huidige stad Qadian, die oorspronkelijk
Islampur Qadi heette. Dit werd afgekort tot Qadi, vervolgens tot Kadi en tenslotte
werd het Qadian. Mirza Ghulam Ahmad stamde van de Perzen af en was niet van
het mogolgeslacht. De titel Mirza is een Perzische benaming. De Tartaren hebben
Khan achter hun naam, bijvoorbeeld Djengis Khan, Halaku Khan etc.
De Heilige Profeet zou ook een bepaalde uitspraak gedaan hebben, toen hij uitleg
gaf over het volgende vers uit de Koran:'En anderen uit hun midden, die zich
nog niet bij hen hebben gevoegd. En Hij is de Machtige, de Wijze' (62:3). Abu
Huraira rapporteert hierover het volgende:'...Salman, de Pers, zat in ons midden,
en de Heilige Profeet legde zijn hand op Salman en zei:'Zelfs als het geloof
bij de Plejaden te vinden was, zou een man uit hun midden het zeker weten te
vinden'. (Al-Boechari, 65:62)
Mirza Ghulam Ahmad ging in zijn eigen dorp naar de lagere school en vervolgens
in de stad Batala, ongeveer vijftien kilometer van Qadian gelegen. In zijn jeugd
hield hij zich onder toezicht van zijn vader bezig met het beheer van landbouwgronden.
In verband hiermee moest hij ook rechtszaken voeren terzake van het landgoed
dat zijn familie bezat, hetgeen absoluut niet met zijn aard strookte. Hij deed
het alleen om zijn vader te gehoorzamen. Om aan zijn vaders wensen tegemoet
te komen, accepteerde hij ook een baan bij de overheid in Sialkot en daar verbleef
hij van 1864 tot 1868. Naast het werk dat hij overdag deed besteedde hij gedurende
deze periode zijn vrije tijd in alle eenzaamheid aan het lezen van de Heilige
Koran. Desalniettemin ging hij tijdens zijn verblijf in Sialkot vele debatten
en discussies aan met christelijke missionarissen. In 1868 werd hij door zijn
vader naar Qadian teruggeroepen om toe te zien op de bebouwing van de familielanderijen.
Maar zijn hart was niet bij zijn werk. Vandaar dat hij zijn meeste tijd besteedde
aan het bestuderen van de Heilige Koran. Hij hield van de eenzaamheid en hij
had een hekel aan wereldse zaken. Zo schreef hij zijn vader eens dat hij de
rest van zijn leven graag zou willen doorbrengen met religieuze studie en oefeningen,
ver weg van alle wereldse zaken.
Zijn vader stierf in 1886, en er brak een nieuwe tijd voor hem aan. Hij vertelde
later hoe, toen zijn vader op zijn sterfbed lag, hij enige paniek en ongerustheid
had gevoeld over hoe hij nu verder zou moeten leven na de dood van zijn vader.
Juist op dat moment hoorde hij in een visioen een machtige stem die zei:'Is
Allah dan niet voldoende voor Zijn dienaar?' Hij voelde zich terstond opgemonterd
en blij, en nooit meer in zijn leven had hij enige reden om aan deze verklaring
te twijfelen.
Mirza Ghulam Ahmad publiceerde in 1878 in verschillende bladen artikelen over
religieuze onderwerpen. In sommige ervan weerlegde hij de overtuigingen van
Arya Samaj, een aggressieve hindoesekte, in 1875 gesticht door Swami Dayanand
Sarasvati (1824-1883) in Bombay, India.
Zoals al eerder vermeld, publiceerde de Mirza in 1884 zijn monumentale en veelomvattende
boek Barahin Ahmadiyya, en kondigde hij daarna aan dat hij door Allah als de
Moedjaddid van de veertiende eeuw AH was aangewezen. In die tijd waren er personen
die de wens te kennen gaven de bai'at (gelofte van trouw) bij hem te willen
afleggen, maar hij weigerde dit door te zeggen dat de Almachtige God hem dit
niet toestond.
Tenslotte kondigde hij op 1 december 1888 aan dat God hem opgedragen had de
bai'at te accepteren en een djama'at te vormen. Hij verkondigde het volgende:'Ik
heb de opdracht gekregen dat zij die op zoek zijn naar waarheid, bij mij de
bai'at moeten afleggen, om hun slechte gewoonten en hun luie en trouweloze manier
van leven op te geven en om zich het geloof eigen te maken en te leren een waarlijk
rein leven te leiden dat aan het geloof ontspringt, en de verschillende manieren
te leren kennen waarop de liefde van God zich openbaart.'
Het belangrijkste doel van de bai'at was de zaak van de islam te verdedigen
en te bevorderen en de dienstbaarheid aan de islam op de eerste plaats te stellen.
Kortom, het motto was Ik zal de godsdienst boven het wereldse stellen.
Het was duidelijk dat de verdediging en de verbreiding van de islam niet konden
worden voortgezet zonder de vorming van een sterke organisatie en dit kon natuurlijk
niet bereikt worden zonder een gepaste gelofte, waarbij men zijn hand in die
van de stichter legde. Dus dit is de voornaamste betekenis van de bai'at in
de Ahmadiyya Beweging. Na deze aankondiging legden vele moslims bij hem de bai'at
af.
Als Hadrat Mirza Ghulam Ahmad de Moedjaddid is, dan moeten moslims met hem samenwerken.
De Heilige Koran zegt:
'O gij, die gelooft! wees oppassend voor uw plicht jegens God en wees met de
getrouwen.' (9 :119). Naar verluidt zou de Heilige Profeet gezegd hebben:'Hij
die sterft en niet de Imaam van zijn tijd herkend heeft, sterft in onwetendheid
(al-djahilijja).' (Ahmad ibn Hanbal, Moesnad, deel IV, p.96). Een moedjaddid
is zeer zeker de imaam van zijn tijd.
Hervormingen
tot stand gebracht door de Moedjaddid van de veertiende eeuw hidjra
1. De eerste taak van de Moedjaddid van deze eeuw was vast te stellen dat God
in de loop der tijden met Zijn rechtschapen dienaren contact had gehouden, omdat
de moderne materialistische beschaving de grondslag van de godsdienst had aangetast
en de goddelijke openbaring volledig ontkende. Mirza Ghulam Ahmad bewees zijn
stelling niet alleen theoretisch, vanuit de bron van de islamitische sjarie'a,
maar ook op grond van zijn eigen ervaringen en profetieën. Hij stelde de
Koran boven al het andere en plaatste de drie bronnen van de islamitische sjarie'a
in deze volgorde van belangrijkheid:
a. De Heilige Koran.
b. De hadies (de uitspraken en handelingen van de Heilige Profeet).
c. De fiqh (jurisprudentie).
d. De idjtihaad (het oordelen).
De laatste twee zijn ondergeschikt aan de Koran en de hadies. De islam is rationeel
in zijn zienswijze en de principes en religieuze bijzonderheden ervan zijn in
overeenstemming met de rede.
2. Mohammed (mogen de vrede en de zegeningen van God met hem zijn) is de grootste
en laatste der profeten. Geen enkele oude of nieuwe profeet zal nog na hem verschijnen.
Aan het begin van iedere eeuw (hidjra) zullen er echter moedjaddids (vernieuwers)
opstaan om een einde te maken aan de dwalingen onder de moslims en hen op het
goede pad te brengen.
3. Men dient de godsdienst boven het wereldse te stellen. Men dient een gedeelte
van zijn tijd en zijn bezittingen aan de verdediging en de verbreiding van de
islam te besteden.
4. De islam werd niet met het zwaard verspreid. De Heilige Koran zegt hierover:'Er
is geen dwang in de godsdienst;waarlijk, de rechte weg is duidelijk onderscheiden
van de dwaling' (2:256).
Het kan historisch niet bewezen worden dat de Heilige Profeet iemand gedwongen
zou hebben de islam te erkennen, of dat hij veldslagen geleverd zou hebben om
een natie of stam te dwingen tot de islam toe te treden. Het is een historisch
feit dat, toen hij Mekka veroverde en bezette, waar zijn vijanden zich bevonden,
de ongelovigen niet gedwongen werden de islam te accepteren toen zij zich overgaven,
maar vergeven werden en mochten gaan waar zij maar wilden. Het was in feite
deze vriendelijke en edelmoedige behandeling die de harten van de mensen veroverde
en zij gingen er uit zichzelf toe over de islam als hun godsdienst te aanvaarden.
Later mochten in de landen die door de moslimse strijdkrachten veroverd waren,
de onderdanen die geen moslim waren, zoals christenen, joden, vuur-aanbidders
en anderen, hun tempels en kerken bezoeken en hun godsdienst belijden. (De Koran,
22:39,40).
Er werden geen moslimse legers naar Oost-Indië gestuurd, waartoe ook Sumatra,
Java, Maleisië en de Philippijnen behoorden, om deze landen binnen te vallen
en te veroveren. Alleen de moslimse kooplieden en toeristen gingen er heen en
predikten de islam en door het voorbeeld dat zij stelden, zetten zij de plaatselijke
bevolking ertoe aan moslim te worden.
De islam gelooft er niet in iemand onder dwang te bekeren of iemand in de islam
te houden via de punt van het zwaard. Vandaar dat er in de islam geen doodstraf
staat op afvalligheid, want de Heilige Koran zegt:
'... en wie onder u van zijn godsdienst terugkeert, dan sterft hij, terwijl
hij een ongelovige is _ dit zijn degenen wier werken op deze wereld en in het
hiernamaals niets zullen baten' (2:217).
Als er al in de geschiedenis van de islam iemand ter dood gebracht is, dan was
dat omdat hij òf de islam in de steek gelaten had tijdens het vechten
òf zich bij de vijandelijke strijdkrachten had aangesloten òf
een zware misdaad begaan had en een moord gepleegd had alvorens te deserteren.
5. Het begrip djihaad. Het is helaas zo dat de meeste mensen denken dat de djihaad
slechts de verspreiding van de islam met het zwaard inhoudt. Dit is onjuist.
djihaad betekent eerst en vooral dat men zich voor een zaak inzet en het zwaard
is niet altijd een vereiste voor de godsdienstige zaak. Het brengen van de boodschap
van de Heilige Koran aan de wereld is ook djihaad. De Heilige Koran zegt hierover
het volgende:
'... en strijd daarmee [met de Koran] een machtige strijd tegen hen' (25:52).
Wat Mirza Sahib zei, was dat in deze tijd en in dit land de voorwaarden ontbraken
om aan een djihaad met het zwaard te beginnen. De pen kan machtiger zijn dan
het zwaard. Vandaar dat men via woord en geschrift (literatuur) het geloof op
een vreedzame wijze kan prediken en verspreiden. De werkelijke richtsnoer wordt
gevormd door de Heilige Koran en de uitspraken en overleveringen van de Heilige
Profeet. Wanneer je die volgt, zullen anderen jou weer volgen.
Wanneer de uitoefening van religieuze plichten en het prediken van het geloof
op gewelddadige wijze verhinderd worden, en men heeft het op uw leven en uw
eer voorzien en er zijn geen vreedzame middelen meer over om het kwaad af te
wenden, dan staat het u vrij het zwaard in de hand te nemen, en God zal u zeker
de overwinning schenken, en er zal eindelijk vrede en vrijheid van godsdienst
komen.
6. Heropleving van de islamitische broederschap. De islam is een godsdienst
van de universele broederschap. Onderscheid naar ras, kleur of land bestaat
niet tussen moslims. Profeten en heilige geschriften van andere naties moeten
echter gerespecteerd worden, omdat God van tijd tot tijd naar iedere natie en
ieder land waarschuwers met goddelijke richtlijnen gezonden heeft, voordat de
allerlaatste der profeten, Mohammed, gezonden werd om de wereld te leiden.
De Heilige Koran zegt het volgende ten gunste van de eenheid onder de moslims:
'... en zeg niet tot een ieder die u vrede aanbiedt:Gij zijt geen gelovige.'(4:94).
Naar verluidt zou de Heilige Profeet het volgende gezegd hebben:'Iedereen die
met het gezicht naar de Qibla bidt (de heilige moskee in Mekka) mag niet tot
kafir verklaard worden'.
De Heilige Profeet vond ook dat meningsverschillen onder zijn volgelingen een
zegen waren, omdat er bij een discussie vele nieuwe en nuttige zaken naar boven
komen. Hierdoor leerden moslims verschillen onder elkaar te tolereren, zolang
als de wortels en essentiële punten van het islamitische geloof _ geverifiëerd
door de Heilige Koran en de authentieke uitspraken en overleveringen van de
Heilige Profeet _ niet werden aangetast. Helaas staan een aantal van onze misleide
en zelfzuchtige religieuze leiders maar al te gauw klaar elkaar kafir (niet
tot de islam behorend) te noemen op grond van de meest futiele verschillen.
Mirza Sahib benadrukte dat al degenen die de kalima reciteren moslims zijn,
en dat iedereen die zijn geloof in de eenheid van God en het profeetschap van
Mohammed (die de laatste en beste der profeten was) belijdt, door geen enkele
moella, hoe geleerd hij ook moge zijn, uit de islam gezet kan worden.
De Beloofde
Messias
In de boeken van de hadies zoals Boechari en Moeslim staan profetieën over
de wederkomst van 'Isa-ibn Marjam (Jezus Christus). In Boechari wordt het verhaal
over de nederdaling van Jezus Christus driemaal verteld door Abu Hurairah (1)
Kitaab-al-Boejoe':34, (2) Kitaab al-Mazalim:46, en (3) Kitaab al-Ambija:60.
Eén van die drie verhalen luidt als volgt:'In wat voor conditie zult
u verkeren, wanneer de zoon van Maria temidden van u zal nederdalen en hij uw
Imaam zal zijn die uit uw midden komt.'
Maar Jezus, die een natuurlijke dood gestorven is, kan niet opnieuw naar deze
aarde terugkeren. Veel moslims van aanzien geloofden ook in de definitieve dood
van Jezus Christus. Imaam Malik geloofde in Jezus' dood (zie Madjma Bihaar al-Anwaar,
deel I, p. 286). Professor Shaikh Mahmud Shaltut, rector van de grote Al-Azhar
Universiteit in Caïro, Egypte, vaardigde ook een fatwa uit, die de definitieve
dood van Jezus Christus bevatte (Al-Risalah van Cairo, deel X, no. 462, p. 515).
De Oostenrijkse moslimse geleerde Muhammad Asad komt ook tot dezelfde conclusie
in zijn vertaling van de Koran, te weten The Message of the Qur'an (deel I,
pp. 177-178, Muslim League Mecca).
De komst van Jezus Christus zou dan slechts betekenen dat er een moedjaddid
onder de moslims zou opstaan, die in de kracht en de geest van Jezus Christus
zou komen. Dit is vooral van belang, omdat het niet alleen zijn opdracht zou
zijn de naam van de islam te zuiveren en de leerstellingen ervan in hun oude
luister te herstellen, maar ook om met onweerlegbare argumenten de valsheid
van de bestaande overtuigingen en doctrines van het christendom aan te tonen,
zoals die door Paulus zijn vastgelegd.
Andere eigenschappen van de Beloofde Messias zijn o.a. dat hij:
a. het kruis zal breken (d.w.z. valse doctrines van de hedendaagse kerk);
b. de zwijnen zal doden (d.w.z. de beschimpers van God en van de ware godsdienst
het zwijgen zal opleggen);
c. de oorlog zal uitstellen (d.w.z. dat men de pen zal hanteren om de godsdienst
te verspreiden).
Eén ding blijkt duidelijk uit alle verslagen waarin wordt vermeld dat
de Beloofde Messias onder de moslims zal opstaan. En dat is dat hij een moedjaddid
is, die speciaal door God geleid zal worden om een einde te maken aan de zogenaamde
superioriteit van het christendom en de aanvallen van de christenen te vergelden
en de superioriteit van de islam te vestigen.
Waarom de naam
Beloofde Messias aan de Moedjaddid van de veertiende eeuw hidjra gegeven werd
Zoals al eerder vermeld, waren veel moslims bijeengekomen om de gelofte bij
de Mirza Sahib af te leggen en zij traden toe tot de Ahmadiyya Beweging. In
1890 ontving Mirza Sahib een openbaring van Allah waarin hem verteld werd dat
aangezien Jezus, de zoon van Maria, gestorven was, Hij besloten had deze titel
aan hem (de Mirza Sahib) te verlenen. Ook in een openbaring die daaraan voorafging,
werd naar de gelijkenis met Jezus verwezen (in kracht en geest), maar dit werd
nu bevestigd. Op 26 maart 1891 maakte Mirza Sahib dit via een gedrukte aankondiging
aan de wereld bekend. Aangezien dit tegen de vooropgezette overtuigingen van
de meerderheid van de oemma van de moslims inging (welke in religieuze zaken
door maulvi's geleid wordt en door religieuze leiders met orthodoxe, stereotype
ideeën en overtuigingen) brak er een storm van oppositie los die zijn weerga
niet vond en ook de beschimpingen waren niet van de lucht.
Deze beweging won aan kracht en het duurde niet lang meer voordat er een fatwa
(een religieuze uitspraak) werd uitgevaardigd waarin Mirza Sahib tot kafir (ongelovige,
die buiten de islam valt), leugenaar en Dadjdjaal (antikrist) werd verklaard,
die door ongeveer 200 religieuze leiders was ondertekend. Mirza Sahib probeerde
via verscheidene publicaties uit te leggen waar hij werkelijk stond en waarom
hij er aanspraak op maakte dat hij de Beloofde Messias was.
Een studie van de hadies onthult dat:
1. De Heilige Profeet op de avond van de 'hemelvaart' 'Isa (Jezus, zoon
van Maria) in de hemel ontmoette, en zag dat hij een man was met een witte gelaatskleur,
krullend haar en een brede borst (Al-Boechari, Kitaab al-Mi'raadj).
2. De Heilige Profeet in een (waarheidsgetrouwe) droom iemand rond de heilige
Ka'ba zag lopen die een mooie, lichbruine gelaatskleur had en sluik haar dat
op zijn schouders rustte. Bij navraag bleek dat dit de Messias was, die door
Dadjdjaal (antikrist) bezocht werd, die ook rond de Ka'ba liep. Dit was de Messias
van deze oemma (Al-Boechari, Kitaab al-Ambija:46).
Dus de twee messiassen zijn verschillende personen. Ze hebben dezelfde naam
gekregen om hun spirituele gelijkenis en affiniteit aan te tonen.
Profetieën
van de Heilige Profeet over de komst van de Messias
In de hadies wordt aangegeven welke omstandigheden er zullen heersen in de tijd
waarin de Messias zal verschijnen. Deze werden door de Heilige Profeet voorspeld.
De Heilige Koran vermeldt ook vele
profetieën die op deze tijd betrekking hebben. Men gelieve daartoe vers
3 tot 19 van hoofdstuk 81 van de Heilige Koran te bestuderen.
De profetieën over de verschijning van de antikrist en de heerschappij
van Gog en Magog, zoals men die in de Koran en de hadies aan kan treffen, stellen
een facet van het conflict tussen de spirituele en de materiële krachten
voor, van het gevecht van de waarheid tegen de leugen, waarin de spirituele
krachten slechts tijdelijk onderworpen zullen zijn, maar ten gevolge waarvan
men van een algemene spirituele bewustwording in de wereld zal kunnen spreken
en de waarheid zal overwinnen. Het is al lang geen geheim meer dat er op dit
moment een verschrikkelijke strijd gaande is tussen de westerse naties en de
wereld van de islam, of, om het nog duidelijker te stellen, tussen de materiële
en spirituele krachten. Religieuze groepen in het westen hebben openlijk verklaard
dat waar andere godsdiensten niet-christelijk zijn, de islam duidelijk anti-christelijk
is;en hun christelijke missionarissen voeren over de hele wereld propaganda,
terwijl ze dit voor ogen hebben. Dit zijn duidelijk feiten waar geen enkele
moslim onverschillig voor kan blijven.
Verscheidene
moslimheiligen hebben voorspellingen gedaan over de komst van de Beloofde Messias
en hem in zijn aanspraken gesteund
'De ene heilige herkent de andere', zo luidt een gezegde. In het geval van Hadrat
Mirza Ghulam Ahmad Sahib, de Moedjaddid van de veertiende eeuw AH, was het zo
dat vele auliya (heiligen) in de islam op verschillende tijdstippen voorspellingen
hebben gedaan over de verschijning van deze grote figuur. Enkele hiervan worden
hieronder vermeld:
1 Syed Amir, bekend als Hadrat Mulla Sahib Kotha-wala (een plaats in het Yusuf
Zai gebied in de North West Frontier Province had in 1292 AH, enige tijd vóór
zijn dood, voorspeld dat Imaam Mahdi al geboren was, maar nog jong was. Het
zou dan ook niet lang meer duren vóór hij zich bekend zou maken
(Verslag van Moella Syed Ahmad van Data).
In zijn boek, Tohfa Golarwija, maakt Hadrat Mirza Sahib ook melding van Pir
Kotha-wala, die in 1294 AH stierf. Hij was zó'n grote en volmaakte heilige
dat zelfs een groot, geleerd man als maulvi 'Abdullah Ghaznavi het als een eer
beschouwde zijn schoenen aan te raken. Maulvi Hakim Muhammad Yahya van Debgaran
(Hazara), die het verslag van Syed Ahmad van Data gehoord had, maakte een reis
naar het dorp Kotha om meer over hem te weten te komen. Hij ontmoette daar Hafiz
Noor Muhammad, die een groot bewonderaar van wijlen Pir Kotha-wala was. Hafiz
Sahib Hafiz vertelde dat op een dag Pir Kotha-wala, toen hij de rituele kleine
wassing (van handen, armen, gezicht en voeten) verrichtte voor het gebed, zich
tot hem richtte en uitriep:'We bevinden ons nu in de tijd van een ander'. Ik
begreep het niet en zei dat Pir Sahib nog steeds gezond was en in het bezit
van zijn verstandelijke vermogens;waarom zei hij dan dat zijn tijd voorbij was?
Hierop riep Pir Kotha-wala uit:'Je hebt me niet begrepen. De moedjaddid die
door God voor dit tijdperk is aangesteld is geboren. Wanneer hij zichzelf bekendmaakt,
zal hij aan grote beproevingen worden onderworpen, maar hij zal die allemaal
op moedige wijze het hoofd bieden en alleen op Allah vertrouwen.'
Toen Hafiz Sahib vroeg wie hij was en waar hij was geboren, weigerde Pir Kotha-wala
het hem te vertellen. Een andere volgeling van de Pir Kotha-wala, Gulzar Khan
van het dorp Topi, verklaarde onder ede dat Pir Kotha-wala bij een bijeenkomst
aanwezig was en erg opgewekt was. Hij kondigde bij die gelegenheid het volgende
aan:'Sommige van mijn vrienden zullen de Mahdi spoedig met eigen ogen zien,
en zullen naar zijn uitspraken luisteren'. Toen Gulzar Khan uit Topi van Hakim
Muhammad Yahya vernam dat Imaam Mahdi zich reeds in Punjab had bekendgemaakt,
weende hij bitter, omdat hij bijna blind was en niet kon reizen. Maar hij smeekte
Hakim Sahib zijn eerbiedige groeten over te brengen aan de Mahdi. Ook maulvi
Hamid 'Ali Sahib, Mulla Sawat, schreef aan Hadrat Mirza Sahib dat Pir Kotha-wala
hem op een dag verteld had, dat de beloofde Mahdi geboren was maar zichzelf
nog niet bekend gemaakt had en dat hij de taal van Punjab sprak.
2. Hadrat Mirza Sahib maakt in het supplement van zijn boek Andjaam Atham melding
van een andere heilige man, Syed Ashhad al-Din, Pir Sahib Al-alam (Jhande-wala)
van Sindh geheten, die, toen hij van de aanspraken van Mirza Sahib vernam, tot
Allah om verlichting bad. In een visioen zag hij de Heilige Profeet en hij smeekte
deze hem te verlichten, als Hadrat Mirza Sahib er terecht aanspraak op gemaakt
had dat hij de Beloofde Messias was. Waarop de Heilige Profeet hem mededeelde
dat Mirza Sahib waarlijk de Beloofde Messias was en dat God met hem was. Hierop
schreef Pir Sahib Al-Alam aan Mirza Sahib een brief waarin hij hem aanvaardde
en hij hem zijn diensten aanbood.
3. Faqir Sahib Mian Mahmud van Bhaag (Baluchistan) was een grote heilige van
omstreeks 100 jaar. Op een keer bracht Qazi Nazir Hussain, Tehsildar van de
streek, een bezoek aan Faqir Sahib en begroette hem. Toen Faqir Sahib vernam
dat Qazi Nazir Hussain een volgeling van Hadrat Mirza Sahib was, vertelde hij
een voorval over zijn eigen verheven Pir, wijlen Noor Ahmad Sultan. Abdul Ghafoor,
de zoon van Faqir Sahib, tekende deze verklaring op. Faqir Sahib zei, dat hij
ongeveer vier jaar daarvóór gehoord had dat Hadrat Mirza Sahib
had verkondigd, dat hij de Beloofde Messias was. 'Ik durfde het niet te geloven
en ik bleef een bevestiging van deze aanspraken zoeken bij de Heilige Profeet
(in een visioen). Maar ondertussen zag ik mijn meester Noor Ahmad Sultan, die
me mededeelde dat de aanspraken van Mirza Ghulam Ahmad op waarheid berustten
en dat de islam door hem alleen maar meer aanzien zou verwerven. Hij eiste van
mij dat ik partij zou kiezen voor Mirza Sahib.' Vervolgens zag Faqir Sahib Hadrat
Mirza Sahib, de Beloofde Messias, in hetzelfde visioen en hij gaf een beschrijving
van hem die klopte. Dit incident werd opgetekend op 15 juli 1903.
4. Hadrat Mirza Ghulam Ahmad bevond zich in het jaar 1891 in Ludhiana. Ondanks
het feit dat er tegenstand was, kwam daar op een dag een goed mens, Mian Karim
Bakhsh geheten, Mirza Sahib opzoeken. Mian Karim Bakhsh verhaalde van de getuigenis
van een andere grote heilige, Sain Ghulab Shah geheten, die door Mirza Sahib
wordt vermeld in zijn boek Izala-i-Auhaam, (deel II). Het is een geschreven
verklaring van Mian Karim Bakhsh, waarin hij vermeldt hoe Sa'in Gulab Shah van
Lahore naar Jamalpur was gekomen en zijn tijd voornamelijk doorbracht met gebed
en meditatie. 'Zo'n dertig jaar geleden', zo schrijft Karim Bakhsh, 'vertelde
deze heilige me (Karim Bakhsh) dat 'Isa (de Beloofde Messias) nu volwassen was
en op een dag naar Ludhiana zou komen en aan zou geven waar de maulvi's de Heilige
Koran verkeerd geïnterpreteerd hadden en ook dat de maulvi's hem zouden
bestrijden. Hij zei ook dat Jezus Christus gestorven was en dat er nu een andere
man gekomen was'. Toen hem gevraagd werd waar deze deze man zich bevond, antwoordde
de heilige:'In Qadian'.
5. In zijn boek Al-Tabligh had Hadrat Mirza Sahib verscheidene Pirs en sadjdjada
nasjiens (vereerders van heiligengraven) uitgedaagd te voorschijn te komen en
met hem over de zaak in debat te treden, op voorwaarde dat door ieder in een
gebed de dood van de leugenaar afgesmeekt zou worden. Een van die Pirs was Khwaja
Ghulam Farid van Chacharan, die het religieuze leider was aan wie ook Nawab
van Bahawalpur trouw verschuldigd was. Hij was een waarlijk heilig en godsvrezend
man. Nadat hij over Mirza Sahib gehoord had, bad hij tot Allah om hulp. In een
visioen werd hem medegedeeld, dat de aanspraken van Mirza Sahib op waarheid
berustten. Vandaar dat hij aan Mirza Sahib een eerbiedige brief in het Arabisch
schreef, waarin hij zijn aanspraken accepteerde en hem mededeelde dat hij op
zijn loyaliteit kon rekenen. Hij bad dat hij succes met zijn missie mocht hebben
en smeekte hem op zijn beurt te bidden dat hij een mooie dood mocht hebben.
Hadrat Mirza Sahib waardeerde ten zeerste de goede wensen die in de brief tot
uitdrukking waren gebracht, en hij gaf in een Perzisch gedicht antwoord op deze
brief. Daarin prees hij hem als een godvruchtig persoon met een sterke geloofsovertuiging,
en hij noemde hem een grote persoonlijkheid in dit tijdperk waarin zo weinig
echte goede mensen voorkwamen. In dat gedicht verklaarde hij ook zijn rotsvaste
geloof in één God, één Profeet en één
Boek, de Heilige Koran. Hij verklaarde ook dat de Heilige Profeet Mohammed de
laatste der profeten was en dat er na hem geen andere profeet meer zou verschijnen.
Khwaja Ghulam Farid was zelf een groot dichter en zijn gedichten en verzen ter
verheerlijking van God en Zijn Profeet en de godsdienst van de islam, die geschreven
zijn in het Saraiki dialect van Punjab, worden met veel plezier op bijeenkomsten
van moslims in heel Pakistan voorgedragen.
Mahdi
De titel Mahdi houdt in dat iemand geleid wordt en de erfgenaam van alle waarheden
is en dat hij alle eigenschappen bezit van een 'leidsman' voor God. Zodoende
kan dit woord op iedere geleide persoon van toepassing zijn. De eerste vier
rechtgeleide opvolgers van de Heilige Profeet werden bijvoorbeeld ook Mahdi's
genoemd. Ook Ummayid kalief, Umar bin 'Abd al-'Aziz, de Moedjaddid van de eerste
eeuw, werd later een Mahdi genoemd.
In wezen komen de verslagen van de Heilige Profeet Mohammed over de Mahdi, die
worden aangetroffen in enkele van de authentieke verzamelingen van Sahaah Sitta,
op het volgende neer:'In latere tijdperken zal er in deze oemma een Mahdi verschijnen
die de aarde rechtvaardigheid en gerechtigheid zal schenken.' In een ander verslag
valt te lezen:'Ik breng u de blijde boodschap dat Mahdi in mijn oemma zal opstaan
in een tijd waarin de mensen van het rechte pad zullen afwijken en in nood zullen
verkeren. Hij zal de aarde, die voorheen was vervuld van onderdrukking en geweld,
rechtvaardigheid en gerechtigheid schenken.' (Moesnad Ahmad ibn Hanbal, deel
III, pp. 26,27).
Het verslag in Ibn Maadja dat 'er geen Mahdi behalve 'Isa is' brengt duidelijk
naar voren, dat de Beloofde Messias en de Mahdi niet twee afzonderlijke personen
zijn, doch twee namen voor dezelfde hervormer. Hij moest de Beloofde Messias
voor de christenen en de Mahdi voor de moslims zijn. Er lag een diepe realiteit
achter deze twee namen verborgen. In overeenstemming hiermee werden aan de Moedjaddid
van deze tijd twee grote taken toegewezen die hem het recht gaven de naam Messias
en de naam Mahdi te ontvangen. Omdat hij het licht van de islam in de christelijke
wereld verspreidde werd hij Messias genoemd, en omdat hij de harten van de moslims
met het licht van de islam verlichtte werd hij Mahdi genoemd.
De verslagen maken ook melding van de goddelijke aanstelling (bi'that) van Mahdi.
In de islamitische terminologie heeft zo'n aanstelling van mensen of op profeten
of op moedjaddids betrekking. Maar aangezien er aan het profeetschap met de
komst van de heilige profeet Mohammed (mogen de vrede en de zegeningen van Allah
hem ten deel vallen) een einde is gekomen, kan Mahdi slechts als een moedjaddid
in deze oemma opstaan.
Er zijn echter om verschillende redenen zo veel veranderingen aangebracht in
de verslagen over de Mahdi door personen die daar belang bij hadden, dat zelfs
degenen die geloven in de komst van de Mahdi slechts het fundamentele feit van
zijn komst accepteren. De opvatting dat wanneer de details onderling verschillen,
het fundamentele feit op zich ook verworpen dient te worden, druist niet alleen
in tegen alle principes van de hadies, maar ook tegen die van de geschiedenis.
Van de andere kant laat het verschil in details zien dat er achter dit alles
ergens een fundamentele realiteit ligt.
Vreemd genoeg is er in de verslagen helemaal geen melding gemaakt van de wijdverbreide
misvatting die er onder moslims over de Mahdi bestaat, nl. dat hij de islam
zou verspreiden met de punt van het zwaard. De Sihaah Sittah en de Moesnad van
Ahmad ibn Hanbal, die verwijzen naar de goedheid van Mahdi, maken van geen enkel
verslag melding waaruit zou blijken dat Mahdi oorlogen zou voeren of de hele
wereld zou veroveren of ongelovigen met de punt van het zwaard tot de islam
zou bekeren. Vooral omdat dit tegen het ondubbelzinnige oordeel van de Heilige
Koran in zou druisen:'Er is geen dwang in de godsdienst' (2:256).
Het was echter voorbestemd dat de zon van de islam eerst over de oosterse landen
zou opgaan. Daarom zou het licht van de islam zich in het begin vooral in het
oosten verspreiden, maar vervolgens zou deze zon ook over de westerse landen
gaan schijnen in overeenstemming met een natuurwet. In een verslag van de Profeet
is dit beschreven als de zonsopgang in het Westen, de profetie die vervuld zou
worden door de Moedjaddid van de veertiende eeuw AH, die ook wel de beloofde
Messias en Mahdi werd genoemd.
Hadrat Mirza Ghulam Ahmad van Qadian opende de ogen van moslims en liet ze beseffen
dat het verhaal dat door hun vijanden bedacht was om de vooruitgang van de islam
te stuiten, ongewild door de moslims zelf geaccepteerd was. In zijn boek Izala-i-Auhaam,
deel II (pp. 518-519, gepubliceerd in 1891) verkondigde Mirza Sahib dat hijzelf
de Mahdi van deze tijd is. Dus het verslag van Ibn Maadja dat 'er behalve 'Isa
geen Mahdi is', dat we reeds eerder vermeldden, bleek op waarheid te berusten.
Hadrat Mirza Sahib's interpretaties van de profetieën over Mahdi schijnen
niet het resultaat te zijn van zijn intellectuele navorsingen, maar waren het
werk van goddelijk licht dat hem geschonken werd, en dit hielp hem de waarheid
te ontdekken die achter deze verslagen schuilging. Deze ontdekking bestond uit
twee grote feiten. Ten eerste, dat het verkeerd was de naam van Mahdi met het
zwaard te associëren en te geloven, zoals de tegenstanders dat deden, dat
de islam met de punt van het zwaard verspreid werd. Ten tweede, dat de Beloofde
Messias en Mahdi niet twee afzonderlijke personen waren, maar twee namen voor
dezelfde hervormer. In een hadies waar Abu Hurairah verslag van doet, wordt
het volgende gezegd:'Een ieder onder u die dan nog zal leven, zal Jezus ontmoeten,
de zoon van Maria (d.w.z. de Beloofde Messias), die Imaam Mahdi is en een leidinggevende
figuur (Moesnad, Ahmad Ibn Hanbal, deel II, p. 411).
Een teken dat
verwijst naar de verschijning van Mahdi
De profetie over de komst van Mahdi behoort tot de profetieën die betrekking
hebben op dit tijdperk. In het boek van hadies Dar Qoetni, wordt (evenals in
de verzameling verslagen van Imaam Baihaqi) op gezag van Imaam Muhammad Baqir
(vrede zij met hem) het volgende beschreven:'Er zijn waarlijk voor onze Mahdi
twee tekenen (uit de hemel) gegeven, die nooit eerder in deze wereld voor iemand
getoond zijn:in de maand ramadan (maanmaand) zal er namelijk een maansverduistering
op de eerste nacht plaatsvinden en een zonsverduistering op de middelste dag.'
We kunnen dit verklaren, omdat volgens de astronomische berekeningen een maansverduistering
op één van de drie volgende nachten optreedt, nl. op de dertiende,
veertiende of vijftiende van de maanmaand. Terwijl de zonsverduistering optreedt
op één van de drie volgende dagen:de 27-ste, 28-ste of 29-ste
van de maanmaand. Op de dertiende nacht (de eerste van de drie nachten) van
de ramadan vond er een maansverduistering plaats, en in dezelfde maand kon men
op de 28-ste dag (de middelste van de drie dagen) getuige zijn van een zonsverduistering.
En in het jaar daarop, in 1894, in de maand ramadan, kon men op dezelfde dagen
als het jaar daarvoor, op het Amerikaanse continent weer van een maans- en zonsverduistering
getuige zijn, waardoor de profetie volledig bewezen werd. Hadrat Mirza Sahib
wees erop dat dit laatste bewijs zijn aanspraken dat hij de Mahdi was, ondersteunde,
en dat het licht van de islam zowel de oude als de nieuwe wereld zou verlichten,
zoals hij dat gepredikt had.