Home Vereniging Islam Agenda Cursussen Ahmadiyya Publicaties Verslagen Gebedstijden Media Historie Contact Links
Publicaties
Artikelen Boeken

Islam en burgerschap

Een inleiding gehouden op het seminar van de AAII(L)N op 11.10.2003 door H.A. Ghauharali *

Als wij ervan uitgaan dat goed burgerschap inhoudt het bevorderen van participatie in en betrokkenheid bij het maatschappelijk functioneren (politiek, sociaal, cultureel en economisch), volgens de voor alle burgers gelijk geldende rechten en plichten en met inachtneming van de waarden en de gedragsnormerende principes, dan rijst de vraag wat de islam als religie aan de gelovigen daarover vertelt. Immers, je mag aannemen dat elk geloof haar volgelingen opvoedt tot goede burgers van de samenleving. Het is van belang dat dit voor alle gelovigen helder en duidelijk is, vooral als je beseft dat wij deel uitmaken van een samenleving waar er andere geloven en andersdenkenden leven en waar wij als moslims een minderheid vormen.

Als we kijken naar wat de islam ons over burgerschap leert, dan is het goed om eerst te kijken naar de vijf basisprincipes waarop deze gestoeld is, te weten:
de Shahadah (het geloof in de eenheid van God), de Zakaat (de armenbelasting: een gift ter ondersteuning van de sociaal-economisch zwakkeren in de maatschappij), de Salaat (het gebed, dat vijf keer per dag verricht wordt), de Saum (het vasten: het zich onthouden van spijs en drank gedurende de maand Ramadan) en de Hadj (de bedevaart naar Mekka).

Dat de islam het sociale stelsel hoog in haar vaandel voert, getuigt de instelling van de zakaat. Moslims zijn verplicht een bepaald percentage van hun bezit af te staan ten behoeve van degenen, die niet in staat zijn om naar behoren in hun eigen behoeften te voorzien. De Heilige Koran zegt hieromtrent:

"Vroomheid is niet dat jullie je gezichten naar het oosten en het westen wendt, maar vroom is degene die gelooft in Allah, in de laatste dag, in de engelen, in het Boek en in de Profeten en wie zijn bezit, hoe lief hij dat ook heeft, geeft aan de verwanten, de wezen, de behoeftigen, aan hem, die onderweg is, aan de bedelaars en voor (de vrijkoop van) slaven, en wie de salaat verricht en de zakaat geeft en wie hun verbintenis nakomen, als zij een verbintenis zijn aangegaan en wie volhardend zijn in tegenspoed en rampspoed en ten tijde van strijd. Zij zijn het die oprecht zijn en dat zijn de godvrezenden (al-mutaqqun)" (2:177).

Behalve de zakaat wordt hier in één adem genoemd de salaat. Het vijf maal per dag bidden behoedt de moslim niet alleen van het kwaad, er wordt bovendien aanbevolen om zoveel mogelijk gezamenlijk in de moskeeën te bidden, waar allen schouder aan schouder voor hun Schepper staan, zonder onderscheid tussen arm en rijk, of blank en zwart. Verschil in stand, vermogen of huidskleur verdwijnt en er heerst een atmosfeer van broederschap, gelijkheid en liefde, die soms totaal verschilt van de buitenwereld, waar ongelijkheid, ijverzucht en vijandschap aan de orde van de dag is. In dit verband wil ik ook het vasten noemen: het zich onthouden van spijs en drank van zonsopgang tot zonsondergang is niet alleen een fysieke en geestelijke reiniging, maar bevordert tevens het solidariteitsgevoel, met name met hen die het met veel minder moeten doen. En ten slotte de hadj: zij die in staat zijn qua inkomen en gezondheid dienen minstens eenmaal deze pelgrimstocht te ondernemen.

En om het bovenstaande te completeren noem ik nog twee belangrijke basisbeginselen van de islam, te weten Iman (geloof) en Taqwa (vroomheid, godvrezendheid.)
Geloof (Iman) is verankerd in het innerlijke leven van de gelovige. Godvrezendheid (Taqwa) gaat samen met geloof en leidt tot daden.De Heilige Koran laat op verschillende plaatsen zien dat geloof en daden niet van elkaar los te koppelen zijn. Goede werken moeten voortkomen uit geloof. Het dienen van de mensheid is gelijk aan het dienen van God. De eredienst omvat niet alleen de religieuze plichten, maar ook het verrichten van zaken die ten goede komen aan de islamitische gemeenschap én aan de maatschappij als geheel. "Het dienen van God staat voor ons gelijk aan het ons nuttig maken voor de mensheid. Ons geloof verwijst zo vaak naar onze verhouding tot andere mensen en de totale mensheid, dat het onmogelijk voor ons is om alleen ten eigen bate bezig te zijn. We moeten voor de hele wereldgemeenschap werken", aldus een grote islamgeleerde.

Binnen de islamitische samenleving zijn er zo te zien geen obstakels die goed burgerschap in de weg staan, als er tenminste een eenduidige interpretatie van de richtlijnen, zoals vervat in de Heilige Koran, wordt nagestreefd. Culturele invloeden hebben echter door de jaren heen de interpretatieverschillen alleen maar versterkt. Een duidelijke identificatie ontbreekt, waardoor er als het ware geen sprake is van één moslimgemeenschap. Natuurlijk mogen er verschillen zijn, maar deze mogen niet indruisen tegen de leer van de islam en broederschap onderling in de weg staan. Stimuleren en bevorderen van cultuur draagt bij aan de versterking van burgerschap, aan samenlevingsopbouw, aan het gevoel van mensen bij de samenleving te horen, geaccepteerd te zijn als volwaardige (mede)burgers.

De islam besteedt veel aandacht aan waarden en deugden en dus daarmee aan de opvoeding binnen het gezin. Op tal van plaatsen in de Heilige Koran wordt benadrukt hoe essentieel een gezonde relatie tussen partners onderling enerzijds en tussen ouders en kinderen anderzijds is. En dan gaat het op de eerste plaats om de gelijkwaardigheid van man en vrouw en op de tweede plaats om het respect dat kinderen voor hun ouders dienen te hebben. Essentieel hierbij is dat je hen de waarden en normen bijbrengt die in de gemeenschap algemeen gelden en die jezelf ook accepteert. Het kan zijn dat er thuis andere normen en waarden gelden, die niet overeen komen met de algemeen geldende normen en waarden. Maar de islam leert ons niet om de eigen normen en waarden te koesteren en die van de anderen te verwerpen. Dat kan per definitie niet, omdat de islam een religie voor de gehele mensheid is, ongeacht plaats, ras, kleur, enz. De Heilige Koran spreekt over mensen en gelovigen en niet over moslims.

Het is belangrijk dat wij onderscheid maken tussen privé en algemeen belang.
De privé-sfeer is de sfeer van het gezin en andere primaire leefvormen (familie, groep), en burgers leven hier naar hun eigen levensbeschouwelijke opvattingen. In deze sfeer kun je je eigen leven leiden zolang je je maar aan de wet houdt. Naast de privé-sfeer heb je de publieke sfeer waar er volgens burgerschapsopvattingen geleefd dient te worden. Daar zijn niet de privé-opvattingen van belang, maar het algemene belang. Eigen levensopvattingen hoeven niet te stroken met de algemeen geldende opvattingen van het land waar je woont, maar de islam leert ons dat je je medemens dient te respecteren. Conflicten ontstaan als wij onze eigen opvattingen als superieur beschouwen boven die van anderen. In sommige culturen binnen de islam wordt de positie van man en vrouw bijvoorbeeld anders geïnterpreteerd dan zoals dat in de Westerse samenleving geldt. Als jij daar geen respect voor kan opbrengen en daarmee niet kan omgaan, ontstaat er botsing tussen beide culturen. Meestal heeft het niets te maken met de islam, maar omdat het moslims zijn wordt het probleem gegeneraliseerd tot een moslimprobleem.

De islam is een praktische godsdienst. Zij beschrijft het gezin als een eenheid in de grotere organisatie van een volk als geheel. En zoals er in de grotere nationale organisatie iemand is die het uiteindelijke gezag uitoefent, zo kan ook de kleinere organisatie (het gezin) niet in stand worden gehouden zonder duidelijke regels omtrent het uiteindelijke gezag. Het gezin is het koninkrijk in het klein waar gezag wordt uitgeoefend door zowel de man als de vrouw. De man wordt gezien als de regeerder over de bewoners van het huis en de vrouw als de regeerster over het huis van haar man en de kinderen. Gelijkwaardigheid tussen man en vrouw is het sleutelwoord voor een harmonieus gezin.

Het gezag over het gezin en dus ook de opvoeding van de kinderen berust bij beiden. Helaas zien wij in bepaalde culturen, dat dit eenzijdig wordt geïnterpreteerd en dat de man liever in het café zit dan zich bezighoudt met de opvoeding van de kinderen. Hij zorgt voor de kost en wil verder geen gezeur aan zijn hoofd van jengelende kinderen. Opvoeding van de kinderen is echter de primaire taak van beide ouders. Hier moet de basis gelegd worden voor respect, naastenliefde, acceptatie van gezag, kortom de waarden en normen, zoals die gelden binnen het eigen geloof en de eigen cultuur en die ertoe moet leiden tot acceptatie van de gemeenschappelijke belangen. En niet dat de eigen cultuur heilig is waar krampachtig aan vastgehouden moet worden, en al het andere vreemd en zelfs inferieur is.

De Heilige Koran zegt hieromtrent het volgende:
"En dien God en verenig niets met hem, en wees goed voor de ouders en voor de naverwanten en de wezen en de behoeftigen en de nabuur die uw verwant is en de nabuur die vreemdeling is, en de metgezel op een reis en de reiziger en degenen die uw rechterhanden bezitten; waarlijk God heeft hem die hoogmoedig, grootsprakig is, niet lief" (4: 36).

Oordeel zelf hoe toepasselijk dit vers is voor goed burgerschap. Kijk hoe ver goedertierenheid in de islam gaat. Het wordt niet beperkt tot het eigen volk of eigen geloofsgenoten. In één en hetzelfde vers wordt gesproken over je ouders, je familie, je buren (die vreemden zijn), metgezellen, reizigers en mensen die van je afhankelijk zijn. En als je dat zo bekijkt, voor wie moeten we dan niet goed zijn. Als wij de Heilige Koran als onze leidraad beschouwen, dan kan het niet anders zijn dan dat wij verplicht zijn om in harmonie met onze buurtgenoten, c.q. medemens te leven. Hoogmoed en grootspraak wordt ten stelligste afgekeurd.

Als de Heilige profeet het volgende zegt over je buren, dan heeft hij het niet over je islamitische buren, maar buren in het algemeen:
"Help hem als hij om hulp vraagt.
Geef hem steun, als hij je ondersteuning vraagt.
Leen iets aan hem uit als hij om een lening komt.
Troost hem, als hij verdrietig is.
Ga naar zijn begrafenis, als hij overleden is.
Feliciteer hem, als hem iets goeds overkomt.
Voel met hem mee, als hem een ramp overkomt.
Scherm zijn licht niet af door je huis hoog te bouwen zonder zijn toestemming.
Behandel hem niet ruw."

We kunnen gerust stellen dat het moslims in ieder geval is toegestaan zich als actieve burgers op te stellen in een land dat hun de mogelijkheid biedt hun geloof openlijk en onbelemmerd te belijden. Samenwerking met niet-moslims is daarbij geoorloofd. Dit impliceert tevens de plicht van moslims de wetten van de landen waarin ze wonen na te leven, zolang deze hen niet dwingen in te gaan tegen de islamitische voorschriften.

Als de islam alleen maar vrede predikt, burgerschap in een multiculturele samenleving bevordert, goed nabuurschap stimuleert, respect voor andersdenkenden leert, enz., hoe komt het dan dat de moslims anno 2003 zowel in eigen land als in de wereld zo negatief in beeld worden gebracht?

Problemen in eigen land kunnen we gerust wijten aan generalisatie. Als een kleine groep uit de Marokkaanse samenleving niet in het gareel loopt en vervalt in allerlei crimineel gedrag, dan is het onterecht te stellen dat de moslims niet deugen. Het is evenwel zaak om het probleem niet te bagatelliseren. Er is degelijk een probleem, m.n. onder de Marokkaanse jeugd. We zien dat de acceptatie van de westerse normen en waarden bij hen moeizamer verloopt, dan bij de andere allochtone groeperingen. Surinamers en Turken hebben zich wat dat betreft gemakkelijker aangepast aan de westerse samenleving, dan onze Marokkaanse broeders. Waar zou dat aan liggen?

De politiek is bezig met een heroriëntatie:
" OALT: onderwijs in allochtone levende talen staat op de helling. Miljoenen zijn er in geïnvesteerd en nu blijkt dat de gewenste resultaten zijn uitgebleven. Ook de derde generatie heeft een grote taalachterstand. Volgend schooljaar wordt OALT afgeschaft.
" Er is een parlementaire commissie benoemd om te onderzoeken hoe het komt dat het integratiebeleid heeft gefaald. Nu al blijkt dat er geen afstemming was tussen de verschillende afdelingen (de beleidsmakers) onderling enerzijds en met het veld (de uitvoerders) anderzijds.

Het zou goed zijn om ook de hand in eigen boezem te steken. Hebben wij voldoende gebruik gemaakt van de geboden kansen? Ligt het niet ook een beetje aan ons? Aan de andere kant vraag ik mij ook af of er voldoende afstemming is geweest met "de veldwerkers" (de moskeebestuurders).

Volgens mijn eigen waarneming schiet de opvoeding tekort. Het zijn meestal de moeders die verantwoordelijk zijn voor de opvoeding. En als zij nauwelijks buiten de deur komen, dan weten zij ook niet hoe de samenleving in elkaar zit en kunnen zij derhalve niet inspelen op de steeds veranderende wereld, die dichterbij huis is, dan ze vermoeden. In hun beleving is de westerse samenleving vijandelijk en verdorven en dat wordt het kroost dus dag in dag uit ingeprent. Op gegeven moment is de verwarring bij de jongeren van dien aard, dat het lijkt op een generatiestrijd, waarbij de kloof tussen beide zo groot is, dat pubers zich op gegeven moment niet meer kunnen identificeren met de eigen cultuur, maar zich ook niet kunnen aanpassen aan die andere "vijandige"wereld. Dan gaan lapmiddelen, zoals buurtvaders en meer blauw op straat, niet helpen. Zullen de rigoureuzere maatregelen als een stop voor meer allochtonen in een bepaalde wijk of gedwongen spreiding dan wel helpen? Ik denk dat de moskeebestuurders een actievere rol moeten gaan spelen in de begeleiding van deze jongeren, dan tot nu toe het geval is. Het accent moet hier verlegd worden: naast de Arabische taal- en godsdienstlessen, moet hier ook burgerschapszin aan de orde komen, m.n. het actief participeren in de samenleving van het land waar je woont.
Beter gezegd: het in de praktijk brengen wat de islam je leert.

* Dhr H.A. Ghauharali is voorzitter van Raad van Advies van AAII(L)N




Contact | Links