Home Vereniging Islam Agenda Cursussen Ahmadiyya Publicaties Verslagen Gebedstijden Media Historie Contact Links
Islam
Iman of geloof Islamitisch offerfeest Normen en waarden Vasten Gebed Profeet Mohammed

Iman of geloof

De islam als religie kent in beginsel een theoretisch (usul) en een praktisch (furu) component. Het theoretische deel omvat de geloofsartikelen of leerstukken, terwijl het praktische gedeelte verwijst naar gedragsregels. Het woord usul is de meer­voudsvorm van asl en betekent zoveel als “wortel” of “beginsel”. Furu is het meervoud van far en betekent “tak”. Het eerste deel dat verwijst naar het theoretische aspect van de islam, wordt ook agaid ofwel geloof genoemd, en is afgeleid van het woord aqida, wat letterlijk betekent “datgene waartoe men verbonden is”. Het praktisch deel wordt ook wel gezien als ahkam. Ahkam is de meervoudsvorm van hukm en betekent letterlijk “bevel”, daarbij verwijzend naar geboden en voorschriften van de islam. Volgens Sjahrastani refereert het theoretisch deel aan ma’rifa ofwel kennis, en het praktische deel aan ta'a ofwel gehoorzaamheid. Kennis is dus de wortel, terwijl gehoorzaamheid of praktijk verwijst naar de tak.

In de Heilige Koran wordt gesproken over iman en amal. Het woord iman dat gewoonlijk wordt vertaald door “geloof”, komt van het woord amana dat vaak wordt vertaald door “hij geloofde”. Wanneer dit transitief gebruikt wordt, betekent het “hij schonk (hem) vrede of veilig­heid”. Wanneer er sprake is van intransitief gebruik, luidt de betekenis “hij ging de vrede of de veiligheid in”. Amal daarentegen betekent “daad” of “handeling”. Beide woorden worden in de Heilige Koran vaak samen gebruikt om daarmee gelovige aan te duiden; degenen die geloven en goed doen is een veel voorkomende beschrijving van de ware gelovigen). Daarom wordt God al-Mu'min (H.K. 59:23) genoemd, wat betekent “de Schenker van veilig­heid”, terwijl de gelovige ook al-mu'min wordt genoemd, oftewel iemand die de vrede of de veiligheid is ingegaan, want hij heeft de beginselen aangenomen, die zielsrust en veiligheid voor vrees veroorzaken.

Zoals een beginsel eerst aangenomen wordt en dan in praktijk wordt gebracht, zo worden de geloofsartikelen, de wortelen, de geboden en voorschriften, die ten uitvoer gebracht moeten worden, de takken genoemd, want zoals de takken uit de wortels groeien, zo komt een daad uit het geloof voort. Om tot een goed begrip van de islam te komen, dient men zich bewust te zijn van dit verband tussen geloof en daad.


Het woord iman wordt in de Heilige Koran in twee verschil­lende betekenissen gebruikt. Volgens Raghib, de beroemde lexicoloog van het Heilige Boek, is iman soms niets meer dan een belijdenis met de tong dat men in Mohammed gelooft. Er zijn in de Heilige Koran veel voorbeelden van dit gebruik van het woord, zoals in hoofdstuk 2, vers 62:


“Waarlijk, degenen die geloven ( amanu) en degenen die joden zijn en de christenen en de Sabiërs - al wie in Allah en de jongste dag gelooft en goed doet, zij zullen hun beloning van hun Heer hebben en er is geen vrees voor hen, noch zullen zij treuren”.


Een ander voorbeeld is vers 4:136: “O gij, die gelooft (amanu)! gelooft in Allah en Zijn Gezant en het Boek dat Hij tot Zijn Gezant heeft geopenbaard”.

Maar zoals Raghib verder heeft verklaard, iman duidt ook de toe­stand aan, waarin een belijdenis met de tong gepaard gaat met een instemming van het hart tasdiq-un bi-l-qalb en het in praktijk brengen van wat men gelooft amal-un bi-l-djawarih, wat letterlijk betekent “het verrichten van daden met de ledematen, zoals in vers 57:19: “En aan­gaande degenen, die in Allah en Zijn gezanten geloven dat zijn degenen, die de waarheidlievenden en de getrouwen voor hun Heer zijn”.


Het woord iman wordt echter ook in één van beide laatste betekenissen gebruikt dat wil zeggen, in de zin van uitsluitend instemming van het hart of het verrichten van goede daden. Voorbeelden hiervan zijn: “De bewoners van de woestijn zeggen: “Wij geloven - Zeg: Gij gelooft niet, maar zegt: Wij onderwerpen ons; en het geloof is in uw harten nog niet ingegaan” (H.K. 49:14), waar geloof blijkbaar de in het vers zelf verklaarde “instemming van het hart” betekent.


“En wat reden hebt u dat u niet in Allah zou geloven, en de Gezant roept u, opdat u in uw Heer zult geloven, inderdaad heeft Hij een verbond met u gesloten, indien u gelovige bent” (H.K. 57:8).


“In Allah zou geloven” betekent hier “offers zou brengen aan de zaak van de waarheid”, zoals het verband aantoont.


Het woord iman, zoals het in de Heilige Koran wordt gebruikt, betekent dus of alleen een belijdenis van de waarheid met de tong, of enkel instemming van het hart en een vaste over­tuiging van de door de Profeet gebrachte waarheid, of het verrichten van goede daden en het in praktijk brengen van de aan­genomen beginselen. Het kan ook al deze drie betekenissen tezamen hebben. Normaal gesproken wordt het woord iman echter gebruikt om aan te duiden dat het hier de instemming van het hart betreft dat gepaard gaat met een belijdenis van de tong - met dat wat Gods profeten als boodschap brengen, ter onderscheiding van het verrichten van goede daden; hier wordt er van “rechtschapen” mensen gesproken als degenen die geloven en goed doen.


In de Hadith wordt het woord iman vaak in zijn ruimere be­tekenis gebruikt dat wil zeggen, als in zich goede daden meesluitende, en soms enkel in de zin van goede daden. Zo zou de Profeet hebben gezegd: “Iman (geloof) heeft meer dan zestig takken en zedigheid (haya) is een tak van het geloof” (Bu. 2:3). In een andere hadith zijn de woorden:


“Iman heeft meer dan zeventig takken, waarvan de hoogste betekenis die van het geloof is, namelijk dat niets aangebeden dient te worden behalve Allah (La ilaha ill-Allah); de laagste trap van betekenis van iman is, het uit de weg ruimen van datgene, wat iemand letsel kan veroorzaken” (M. 1:12).


In een bepaalde hadith staat: De liefde van de Ansar is een teken van geloof” (Bil. 2:10); in een andere staat: “Eén uwer heeft geen geloof, tenzij hij voor zijn broeder datgene liefheeft, wat hij voor zichzelf liefheeft” (Bu. 2:7 ). Nog een andere hadith zegt: “Eén uwer heeft geen geloof, tenzij hij een groter liefde voor mij heeft dan voor zijn vader en zijn zoon en al de mensen” (Bu. 2:8). Het woord iman wordt dus op alle goede daden toegepast, en Buchari heeft als titel van één van zijn hoofdstukken in de Kitab al-Iman (boek 2): “Hij die zegt: Iman is niets anders dan het doen van goed”, waarbij hij Koranverzen aanhaalt die zijn argumentatie staven.


Hij betoogt aan de hand van verzen, die over de verdieping van het geloof spreken dat goede daden een onderdeel van het geloof zijn, want anders zou er van het geloof niet op die wijze gesproken kunnen zijn.

Waar iman neerkomt op het aannemen van Mohammeds openbaring, verwijst de term kufr naar de verwerping van diezelfde boodschap; en zoals het in de praktijk aannemen van de waarheid, of het verrichten van een goede daad iman of een deel van iman wordt genoemd, zo wordt het in de praktijk verwerpen van de waarheid of het verrichten van een slechte daad kufr of een deel van kufr genoemd.

De titel van een hoofdstuk in de Buchari luidt als volgt: “Ma’asi (handelingen van ongehoorzaamheid) behoren tot de zaken van de djahiliyya” (Bu. 2:22). Nu betekent djahiliyya letterlijk “onwetendheid”. Binnen de terminologie van de islam wordt dat verwezen naar de “tijd van de onwetendheid” als zijnde de tijd vóór de komst van Profeet Mohammed. Daarmee is het idee van djahiliyya dus synoniem met kufr of ongeloof. Om deze redenering te onderbouwen wordt een overlevering met betrekking tot Abu Dharr aangehaald, die zei dat hij ie­mand beschimpte dat wil zeggen, hij sprak hem aan met “zoon van een Negerin”, waarover de Profeet opmerkte: “Abu Dharr! gij vit op hem wegens zijn moeder; waarlijk, gij zijt iemand, in wie djahiliyya is” (Bu. 2:22). De handeling die eruit bestaat om op iemand te vitten vanwege diens Negroïde-afkomst, wordt dus djahiliyya of kufr genoemd. Volgens een andere hadith heeft de Profeet zijn metgezellen in de volgende bewoor­dingen gewaarschuwd: “Wacht u! wordt geen ongelovigen na mij, zodat sommigen van u anderen de halzen afslaan” (Bu. 25:132). Hier wordt het doden van moslims door moslims veroordeeld als een daad van ongeloof. In een andere hadith staat: “Een moslim beschimpen is een overtreding en tegen hem strijden is ongeloof” (Bu. 2:36). Ondanks het feit dat in deze hadith de onderlinge strijd van de moslims kufr wordt ge­noemd - en dat zij, die onderling strijden, zelfs kafirs worden ge­noemd -, spreekt de Heilige Koran van de moslims die tegen elkaar strijden, toch als gelovigen (mu'minin) (H.K. 49:9).


Het is dus duidelijk dat een dergelijke handeling als een daad van ongeloof (kufr) wordt beschouwd als er sprake is van ongehoorzaam­heid. Dit punt is verklaard door Ibn Athir in zijn welbekend woorden­boek van de hadith’s: de Nihaya. Over het woord kufr zegt hij:


“Er zijn twee soorten van kufr: het één is een looche­ning van het geloof zelf, en het andere is de loochening van een far (tak) van de furu van de islam. Op grond daarvan treedt men niet uit het geloof zelf”.


Zoals eerder gezegd, heeft de term furu betrekking op de voorschriften van de islam; en dus is het in de praktijk verwerpen van een voorschrift van de islam - terwijl het kufr wordt genoemd - geen kufr in de techni­sche zin van het woord, het is geen loochening van de islam zelf. Ibn Athir vertelt verder van een voorval dat deze kwestie toelicht. Men vroeg Azhari of een moslim een kafir werd, enkel en alleen omdat hij een bepaalde mening er op na hield. Azhari ant­woordde dat een dergelijke mening kufr (ongeloof) was; toen men verder bij hem erop aandrong, voegde hij er aan toe: “De moslim maakt zich soms schuldig aan kufr (ongeloof)”. Het is dus duidelijk dat een moslim een moslim blijft, al maakt hij zich ook schuldig aan een daad van ongeloof (kufr).


Bron: De religie van de Islam






Contact | Links